Hoe vorm je het voltooid deelwoord van werkwoorden met her-? Wat is bijvoorbeeld het voltooid deelwoord van herroepen, heropleven en herstructureren?

De juiste vormen zijn: herroepen, heropgeleefd en geherstructureerd. Onderaan dit advies staat een lijst met veelvoorkomende werkwoorden met her-.

Klemtoon ligt niet op her-

Bij de vorming van het voltooid deelwoord van deze werkwoorden moet allereerst gekeken worden of her- al dan niet beklemtoond is. Als dat niet het geval is, vervalt het voorvoegsel ge-: herínneren - herínnerd, herróépen - herróépen, herwínnen - herwónnen. Dit is verreweg de grootste categorie.

Klemtoon ligt wél op her-

Als her- wel beklemtoond is (zoals bij herinrichten, herwaarderen en heroverwegen), zijn er drie mogelijkheden.

  1. Her- staat voor een scheidbaar samengesteld werkwoord (een werkwoord dat bestaat uit twee delen die niet altijd naast elkaar hoeven te staan, zoals in + richten en op + leven). Dan komt ge- tussen de twee delen van dat werkwoord te staan: hérinrichten - héringericht, héruitgeven - héruitgegeven, héropleven - héropgeleefd.
  2. Her- staat voor een niet-scheidbaar samengesteld werkwoord (waarin de delen wel altijd direct naast elkaar staan, zoals overwegen - overweegt - overwoog). Dan vervalt ge-: héroverwegen - héroverwogen, héronderzoeken - héronderzocht. Ook als her- voorafgaat aan het onbeklemtoonde voorvoegsel be-, er-, ge-, ont- of ver-, vervalt ge-. Voorbeelden hiervan zijn hérontginnen - hérontgonnen, hérbegraven - hérbegraven en hérgebruiken - hérgebruikt.
  3. Her- staat voor een niet-samengesteld werkwoord. Dan komt ge- vóór her-: hérstructureren - gehérstructureerd, hércatalogiseren - gehércatalogiseerd, hérexamineren - geherexamineerd.

Uitzondering

Het werkwoord herbergen - geherbergd is geen combinatie van het voorvoegsel her- en het werkwoord bergen, maar een afleiding van het zelfstandig naamwoord herberg. Daarin is her een afleiding van het woord heer in de betekenis ‘leger’. Herbergen wordt daarom als een ‘gewoon’ werkwoord vervoegd: herbergen, herbergde, geherbergd.

Lijst met her-werkwoorden en hun voltooid deelwoord:

  • herademen - herademd
  • herbebossen - herbebost
  • herbeginnen - herbegonnen
  • herbeleggen - herbelegd
  • herbeleven - herbeleefd
  • herbenoemen - herbenoemd
  • herbevestigen - herbevestigd
  • herbewapenen - herbewapend
  • herbouwen - herbouwd
  • herdefiniëren - geherdefinieerd
  • herdenken - herdacht
  • herdoen - herdaan
  • herdopen - herdoopt
  • herdrukken - herdrukt
  • herenigen - herenigd
  • herexamineren - geherexamineerd
  • herfinancieren - geherfinancierd
  • herformuleren - geherformuleerd
  • hergebruiken - hergebruikt
  • hergeven - hergeven
  • hergroeperen - gehergroepeerd
  • herhalen - herhaald
  • herijken - herijkt
  • herindelen - heringedeeld
  • herinneren - herinnerd
  • herinrichten - heringericht
  • herintreden - heringetreden
  • herinterpreteren - geherinterpreteerd
  • herintroduceren - geherintroduceerd
  • herinvesteren - geherinvesteerd
  • herkansen - herkanst
  • herkauwen - herkauwd
  • herkennen - herkend
  • herkeuren - herkeurd
  • herkiezen - herkozen
  • herkrijgen - herkregen
  • herladen - herladen
  • herleiden - herleid
  • herleven - herleefd
  • herlezen - herlezen
  • hernemen - hernomen
  • hernieuwen - hernieuwd
  • heronderhandelen - heronderhandeld
  • herontdekken - herontdekt
  • heropbouwen - heropgebouwd
  • heropenen - heropend
  • heroprichten - heropgericht
  • heropvoeden - heropgevoed
  • herordenen - herordend
  • heroriënteren - geheroriënteerd
  • heroveren - heroverd
  • heroverwegen - heroverwogen
  • herpakken - herpakt
  • herplaatsen - herplaatst
  • herrekenen - herrekend
  • herrijzen - herrezen
  • herroepen - herroepen
  • herschatten - herschat
  • herscheppen - herschapen
  • herschikken - herschikt
  • herscholen - herschoold
  • herschrijven - herschreven
  • hersmeden - hersmeed
  • herstellen - hersteld
  • herstemmen - herstemd
  • herstructureren - geherstructureerd
  • hertellen - herteld
  • hertrouwen - hertrouwd
  • heruitbrengen - heruitgebracht
  • heruitgeven - heruitgegeven
  • heruitzenden - heruitgezonden
  • hervallen - hervallen
  • hervatten - hervat
  • herverdelen - herverdeeld
  • herverkavelen - herverkaveld
  • herverzekeren - herverzekerd
  • hervinden - hervonden
  • hervormen - hervormd
  • herwaarderen - geherwaardeerd (in het Groene Boekje staat ook herwaardeerd)
  • herwerken - herwerkt
  • herwinnen - herwonnen
  • herzien - herzien