Waarom zeggen we ‘Ze is gaan fietsen’ en niet ‘Ze is gegaan fietsen’? Waar is het voltooid deelwoord gebleven? 

Met deze vraag worstelen veel mensen die op latere leeftijd Nederlands leren. Ze leren in eerste instantie dat zinnen in de voltooid tegenwoordige tijd er zo uitzien: ‘Jan heeft hard gewerkt’, ‘Ze is naar me toe gekomen’, enz. Het hoofdwerkwoord van de zin (werken, komen) krijgt hier de vorm van een voltooid deelwoord (gewerkt, gekomen), en er verschijnt een hulpwerkwoord van tijd in de zin: heeft en is. Het gezegde van deze zinnen bestaat dus uit een persoonsvorm en een voltooid deelwoord.

Maar als er naast het hoofdwerkwoord en het hulpwerkwoord van tijd nóg een werkwoord tot het gezegde behoort, krijgt het voltooid deelwoord de vorm van een infinitief. De voltooide tijd van ‘Hij moet hard werken’ is bijvoorbeeld ‘Hij heeft hard moeten werken’ en niet ‘Hij heeft hard gemoeten werken.’ En de voltooide tijd van ‘Ze gaat fietsen’ is ‘Ze is gaan fietsen’ en niet ‘Ze is gegaan fietsen.’ Dit wordt in de grammaticaboeken een ‘vervangende infinitief’ genoemd: de infinitief (moeten, gaan) vervangt het voltooid deelwoord dat je zou verwachten (gemoeten, gegaan).

Voorbeelden

Samengevat: als het hoofdwerkwoord van de zin wordt gecombineerd met een hulpwerkwoord van tijd en nog minstens één ander hulpwerkwoord, staan alle werkwoorden – behalve de persoonsvorm – in de infinitiefvorm. Veelvoorkomende hulpwerkwoorden waarbij dit gebeurt, zijn kunnen, willen, moeten, mogen, laten, komen, gaan, blijven, doen, staan, zitten en leren. Enkele voorbeelden, waarin de vervangende infinitief gecursiveerd is:

  • Hij heeft dat niet kunnen doen.
  • Ze had me best willen helpen.
  • Ik heb hem veel moeten uitleggen.
  • Dat had je niet mogen doen.
  • Ik heb de koekjes laten staan.
  • Ze is me komen helpen.
  • Ze is gaan fietsen.
  • Het is blijven regenen.
  • Dit heeft me doen besluiten toch te gaan.
  • Heb je lang staan twijfelen?
  • Volgens mij heb ik zitten slapen.
  • Waar heb jij zo mooi leren zingen?

Ontstaan van deze constructie

Veel mensen vragen zich af waar deze (vooral voor niet-moedertaalsprekers lastige) regel vandaan komt. Daarvoor moeten we terug naar het Nederlands van een aantal eeuwen geleden.

Naar alle waarschijnlijkheid is de vervangende infinitief in de Middeleeuwen ontstaan. Het voltooid deelwoord van verschillende (met name sterke) werkwoorden werd toen vaak zonder ge- gevormd. Zo was comen in ‘Hi is comen’ een variant van gekomen, en bleven een variant van gebleven: ‘Hi was bleven’ (= hij was gebleven). In zinnen waarin die werkwoorden als hulpwerkwoord werden gebruikt – bijvoorbeeld ‘Hi is comen helpen’, ‘Hi is bleven staen’ – waren het voltooid deelwoord en de infinitief daardoor niet goed van elkaar te onderscheiden. In de loop van de tijd ging men die beide werkwoorden daarom als infinitief beschouwen. Zo ontstond gaandeweg de gewoonte (de ‘regel’) om bij sommige combinaties van werkwoorden in de voltooide tijd geen voltooid deelwoord te gebruiken maar een infinitief.