Hoe schrijf je er aan onder door gaan? Wat hoort er wel en niet bij elkaar?

 

Juist is: eraan onderdoor gaan, net als hieraan onderdoor gaan, daaraan onderdoor gaan en waaraan onderdoor gaan.

Combinaties van er, hier, daar en waar en een voorzetsel worden als één woord geschreven als er, hier, daar of waar niet naar een plaats verwijst maar naar iets waar in de context sprake van is. Eraan betekent hier bijvoorbeeld 'aan het genoemde', hieraan 'aan dit genoemde', daaraan 'aan dat genoemde' en waaraan 'aan welk genoemde'. (In dat laatste geval moet datgene waar het over gaat soms nog genoemd worden.) Alleen als er, hier, daar of waar letterlijk naar een plaats verwijst, staat het los: 'Hij vliegt naar Londen en komt daar aan om elf uur plaatselijke tijd' (daar = 'op die plaats'; aan hoort bij het werkwoord aankomen).

Er kan een tweede voorzetsel of een bijwoord bij horen, zoals in erdoorheen praten of eropuit trekken. Vaker is het zo dat een tweede voorzetsel bij een werkwoord hoort dat volgt: ervan uitgaan ('uitgaan van het genoemde'), hierbij aansluiten ('aansluiten bij dit genoemde'), erop uit zijn ('uit zijn op het genoemde'; voorzetsels worden niet aan zijn vast geschreven).

Als er nog een derde voorzetsel bij komt, vormt dat een eenheid met het tweede; dat is het geval in eraan onderdoor gaan en bijvoorbeeld ook in ervan opaan kunnen.