Hoe gebruik je echter en maar in een zin?

Echter en maar geven allebei aan dat er sprake is van een tegenstelling. Bijvoorbeeld:

  • Ik was bang dat er iets was misgegaan, maar dat bleek gelukkig niet waar te zijn.
  • Ik was bang dat er iets was misgegaan. Dat bleek echter gelukkig niet waar te zijn.
  • Ik was bang dat er iets was misgegaan. Echter, dat bleek gelukkig niet waar te zijn.

Echter is een formeel, stijf woord. Daarom krijgt maar vaak de voorkeur. Een ander verschil is dat maar een voegwoord is en echter een bijwoord. Dat heeft gevolgen voor de woordvolgorde in zinnen met maar en echter.

Echter

Het bijwoord echter kan op verschillende plaatsen in de zin staan. Vaak staat het ergens na de persoonsvorm:

  • [Er werd verteld dat de zaak moest sluiten.] Dit bleek echter niet te kloppen.
  • [Eerst zei hij dat ik het zelf moest uitzoeken.] Uiteindelijk wilde hij me echter wel helpen.
  • [De betrokkenen probeerden de feiten te verdoezelen.] De minister liet echter een onderzoek uitvoeren.

Soms staat echter direct na het eerste zinsdeel:

  • [Het bestuur ziet nog allerlei bezwaren.] De directie echter gaat ermee akkoord.
  • [Het blijft het grootste deel van de dag droog.] In de avond echter kan het gaan regenen.

Tot slot kan een zin beginnen met echter: er volgt dan altijd een komma. Echter staat in dit geval buiten de feitelijke zin en aan de woordvolgorde van de verdere zin verandert niets:

  • [Ik wil best met de trein naar Italië.] Echter, dat kost te veel.
  • [Er werd verteld dat de zaak moest sluiten.] Echter, dit bleek niet te kloppen.

Maar

Het voegwoord maar kan alleen vooraan in een (bij)zin staan. Er komt geen komma achter:

  • We vroegen om aardbeienijs, maar kregen kersenijs.
  • Ik wil best met de trein naar Italë, maar dat kost te veel.
  • Er werd verteld dat de zaak moest sluiten. Maar dit bleek niet te kloppen.

Zinnen als ‘Echter bleek dit niet te kloppen’ en ‘Echter kost dat te veel’ waren tot aan het begin van de twintigste eeuw gebruikelijk. Tegenwoordig beschouwen veel mensen dit soort zinnen als een fout, hoewel ze nog steeds geregeld voorkomen.

Maar en echter in één zin

Gebruik maar en echter niet in één zin: dat is namelijk dubbelop. In ‘We vroegen om aardbeienijs, maar kregen echter kersenijs’ moet één van de twee weg.