Wat is juist: ‘De klant wil kwaliteit’ of ‘De klant wilt kwaliteit’?

‘De klant wil kwaliteit’ is juist.

De vorm wil is hier eigenlijk vreemd, want in bijvoorbeeld ‘De klant eist kwaliteit’ en ‘De klant verlangt kwaliteit’ wordt er een t aan de stam van het werkwoord toegevoegd. Dat is de normale gang van zaken: na een derde persoon enkelvoud (hij, zij, het) in de tegenwoordige tijd bestaat de persoonsvorm uit stam plus t. Willen is een uitzondering op deze regel. Meer voorbeelden:

  • Ik vraag me af of Anneke echt mee wil.
  • Wil Frans echt niet met de trein naar Frankrijk?
  • Wat ons management nou precies wil? Tja, wisten we het maar.
  • Het weer wil maar niet opknappen.
  • Wie wil er mee naar het Archeon?

Waaróm is het niet ‘hij wilt’?

Dat het hij wil is en niet hij wilt, heeft te maken met de geschiedenis van het werkwoord willen. De vorm wil, die wij nu gebruiken als tegenwoordige tijd enkelvoud, gaat terug op een zogenoemde aanvoegende wijs (een ‘wensende wijs’ of ‘optatief’). Willen had vroeger geen tegenwoordige tijd. De aanvoegende wijs wille/wil heeft die functie (langgeleden) erbij genomen. De vorm wille is sinds lang verouderd; de vorm wil is nog steeds heel gewoon.

Aan zo’n aanvoegende wijs werd en wordt in de tegenwoordige tijd geen t toegevoegd; het is bijvoorbeeld ook ‘Moge hij rusten in vrede’ en ‘Zij leve hoog.’ Toen de aanvoegende wijs van willen in de loop der tijd ook als een ‘gewone’ tegenwoordige tijd gebruikt werd, behield de persoonsvorm wil dit kenmerk van de oorspronkelijke aanvoegende wijs: er kwam geen t achter de stam in de derde persoon enkelvoud. Daarom is hij wil nog steeds juist.

Overigens vermeldt het Woordenboek der Nederlandsche Taal dat vormen als hij wilt “tamelijk frequent” zijn aangetroffen in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw. In sommige delen van ons taalgebied is hij wilt heel gewoon; het lijkt er zelfs op dat hij wilt in het hele taalgebied aan een opmars bezig is. Maar alleen de vorm hij wil wordt als juist/standaardtaal gezien.