Wat zijn wederkerende werkwoorden?
Wederkerende werkwoorden zijn werkwoorden zoals zich vergissen en zich wassen: ze hebben een wederkerend voornaamwoord (zoals zich) bij zich.
Wederkerende werkwoorden herken je in woordenboeken en woordenlijsten aan het wederkerend voornaamwoord zich. Je ziet dus bijvoorbeeld zich vergissen en zich wassen staan. Dat betekent dat ook bijvoorbeeld ‘Ik vergiste me’ en ‘We wasten ons bij de wastafel’ goed zijn, met de wederkerende voornaamwoorden me en ons.
Verplicht wederkerende werkwoorden
Sommige werkwoorden zijn verplicht wederkerend. Dat betekent dat ze alleen voorkomen met een wederkerend voornaamwoord. Zich vergissen is zo’n werkwoord. Een zin als ‘Jij vergist’ is niet mogelijk. Andere bekende voorbeelden zijn zich schamen en zich verslikken. Een lijst met verplicht wederkerende werkwoorden staat in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS, 1997).
Toevallig wederkerende werkwoorden
Andere werkwoorden kunnen wederkerend zijn, maar dat hoeft niet altijd. Deze werkwoorden noem je - als ze met een wederkerend voornaamwoord voorkomen - toevallig wederkerend. Wassen is in bijvoorbeeld ‘We wasten ons bij de wastafel’ toevallig wederkerend. Maar in ‘Ik was altijd op maandag’ en ‘Ik was mijn kleren’ is het niet wederkerend gebruikt.
Een ander voorbeeld is herstellen. In ‘De economie herstelde zich’ is het toevallig wederkerend. In ‘We herstelden eerst het dak’ en ‘De zieken herstelden snel’ is het niet wederkerend.
Bij toevallig wederkerende werkwoorden kun je het voornaamwoord ook in de nadrukkelijke zelf-vorm gebruiken: ‘We wasten onszelf bij de wastafel’, ‘De economie herstelde zichzelf.’ Bij verplicht wederkerende werkwoorden kan dat meestal niet of minder goed: ‘Ik vergis mezelf’ klinkt fout en ‘Ik schaam mezelf’ klinkt minder goed dan ‘Ik schaam me.’
Zinnen met een wederkerend werkwoord ontleden
In een zin met een verplicht wederkerend werkwoord hoort het voornaamwoord bij het werkwoordelijk gezegde. In ‘De kinderen gedroegen zich voorbeeldig’ is gedroegen zich dus het werkwoordelijk gezegde.
Als het werkwoord toevallig wederkerend is, is het voornaamwoord het lijdend voorwerp. In ‘Mijn vader scheert zich met water en zeep’ is scheert het werkwoordelijk gezegde en zich het lijdend voorwerp.
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!