Schrijf je combinaties van een voorzetsel en elkaar, zoals aan( )elkaar, als één of als twee woorden?

Een combinatie van een voorzetsel en elkaar wordt vrijwel nooit aaneengeschreven:

  • Aan elkaar schrijf je niet aan elkaar.
  • Ze zijn al heel lang bij elkaar.
  • Ze dook in elkaar.
  • Ik krijg het niet uit elkaar.
  • Dat heb je weer mooi voor elkaar.

De enige uitzondering is achter + elkaar: in de betekenis 'aan één stuk door' of 'onmiddellijk' worden die woorden aan elkaar geschreven.

  • Rozemarijn reed achterelkaar van Parijs naar Utrecht.

Een combinatie van een voorzetsel en elkaar betekent vaak hetzelfde als de combinatie van dat voorzetsel en het woord een. Opvallend genoeg vormen de gevallen met een wél één woord: aaneenachtereenbijeen, ineen, uiteen, enzovoort. Enkele van die woorden komen vrijwel alleen voor als deel van een werkwoord, bijvoorbeeld ineenduiken, uiteentrekken, aaneenschrijven.