Er zijn allerlei combinaties van hebben met een voorzetsel, zoals in, op en aan. Als het gaat om werkwoorden voor het dragen van kleding en accessoires – op, aan of rond het lichaam – kan het voorzetsel aan hebben vast geschreven worden. Het kan, maar hoeft niet:

  • Ze wil bij het zwemmen liever haar contactlenzen inhebben / in hebben.
  • Ik vond dat hij een prachtige jurk aanhad / aan had.
  • Ik zag dat Frank mijn sjaal omhad / om had.
  • Sinds wanneer wil je die muts niet meer ophebben / op hebben?

Een combinatie van hebben met een voorzetsel die een heel eigen betekenis heeft en waarbij je niet meer aan de losse woorden denkt, schrijf je als één woord. Bijvoorbeeld de pee inhebben, de pest inhebben en de smoor inhebben.

Op het tabblad ‘Voorbeelden’ zijn meer werkwoorden met hebben te vinden. 

Andere samenstellingen met ‘hebben’

Hebben kan ook met andere woorden een samenstelling vormen: beethebben betekent ‘te pakken hebben’ (zoals in ‘iets goed beethebben’), liefhebben, vasthebben en plaatshebben.

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar. Neem contact op via

Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail

Hieronder staat een lijst met voorzetsels en bijwoorden die vaak in combinatie met hebben voorkomen, met daarbij de meestvoorkomende of best verdedigbare schrijfwijzen.

aan aanhebben / aan hebben Ik vond dat ze een schitterende jurk aan had / aanhad.
af af hebben / afhebben Ik ben blij dat ik mijn werk op tijd af heb / afheb, 
bij bijhebben Het schip moest voordurend alle zeilen bijhebben. (‘uitgespannen hebben staan’)
bijhebben Paul vroeg of ze geld bijhad. (‘bij zich had’; bijhad is niet voor iedereen acceptabel)
binnen binnen hebben We bellen u zodra we het boek binnen hebben.
door doorhebben Ik wou dat ik alles zo snel doorhad als jij.
in in hebben / inhebben Waarom zou ze die opzichtige oorbellen in hebben / inhebben? 
Hij is de enige die geen lenzen in heeft / inheeft.
in hebben / inhebben Ik denk dat hij de pest (of: de p) in heeft / inheeft. 
om om hebben / omhebben Ik zag dat Frank mijn sjaal om had / omhad. 
om hebben Ik zag dat Anja 'm om had. (‘dronken was’)
onder onder hebben de wind eronder hebben
onder hebben schaatsen onder hebben
op ophebben Ik vond het grappig dat Niels een hoge hoed ophad.
parfum ophebben
het eten ophebben
flink wat ophebben (‘dronken zijn’)
veel met iemand ophebben (‘een hoge dunk van iemand hebben’)
over overhebben Ik hoorde dat je nog verf overhebt.
Ik vrees dat ik na een middag winkelen geen benen meer overheb.
Je moet er iets voor overhebben.
tegen tegenhebben Ik ben eraan gewend dat ik de hele afdeling tegenheb.
Wat zij vooral tegenheeft, is haar arrogantie.
Jammer dat wind tegen hebben.
terug terug hebben Wil je je pen niet terug hebben / terughebben?
uit uithebben / uit hebben geld uithebben (‘geld hebben uitstaan’)
uithebben / uit hebben Mag ik dat boek lenen als jij het uit hebt / uithebt? 
voor voorhebben Wie aan het koken is, kan het best een schort voorhebben.
voorhebben Op het laatst zag Paula pas dat ze de verkeerde voorhad. (‘de betrokken persoon verwarde met een andere’)
voorhebben het goed met iemand voorhebben (‘het goed met iemand menen’)