Wanneer schrijf je zo( )ver los en wanneer aan elkaar?

Zo ver wordt los geschreven als er een afstand mee wordt aangeduid. Vaak is dat een letterlijke afstand, maar soms gaat het om een ander soort ‘voortgang’. Zo en ver krijgen allebei nadruk. Voorbeelden:

  • Ik wist niet dat het zo ver fietsen was naar oma.
  • Wil je nu al rusten? Zo ver zijn we toch nog niet van huis?
  • Gooi de bal zo ver mogelijk weg.
  • Ik ben niet zo ver gekomen in dat boek.
  • Ze was zo ver heen dat ze me niet herkende.
  • Als jij nu tot zo ver schildert, dan neem ik het daarna van je over.

In alle andere betekenissen, waarbij er niet of nauwelijks aan een afstand wordt gedacht, is zover één woord. Het heeft een zogenaamd ‘eenheidsaccent’: één klemtoon.

  • Het is zover. (‘Het moment is daar’ of ‘Het is klaar’)
  • Ben je zover? (‘Ben je klaar?’)
  • Hoho, zover zijn we nog niet.
  • Tot zover deze inleiding; ik geef nu het woord aan de eerste spreker.

Twee mogelijkheden

In veel gevallen is zowel voor zover als zo ver iets te zeggen. In de onderstaande zinnen kun je volhouden dat beide woorden nadruk krijgen en dus zo ver schrijven, maar ook dat er geen ‘afstand’ wordt aangeduid en dat zover dus voor de hand ligt.

  • Hoe heb je het zover/zo ver kunnen laten komen?
  • Zover/zo ver reikt mijn kennis helaas niet.
  • Alleen door hard te oefenen kun je het zover/zo ver brengen.
  • Ik kan tot zover/zo ver met je meegaan, maar over kernenergie ben ik het niet met je eens.

Zover als voegwoord

Als het als voegwoord wordt gebruikt (met de betekenis ‘zo ver als’), is zover aan elkaar:

  • Zover het oog reikte, zag ik alleen maar zee.
  • Voor zover ik het kan overzien, gaat alles naar wens.