'Mijn oom en mijn tante zijn beiden historicus/historici.' Moet het laatste woord hier in het enkelvoud of in het meervoud staan?

 

Dat is beide mogelijk. Als u voor het enkelvoud historicus kiest, verwijst u naar het beroep van historicus; het meervoud historici duidt op de personen zelf.

Doorgaans staan onderwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde ofwel allebei in het enkelvoud ofwel allebei in het meervoud: 'Deze man is een historicus' en 'Deze mannen zijn historici.' Maar een meervoudig onderwerp mag ook met een enkelvoudig zelfstandig naamwoord zonder lidwoord worden gecombineerd: 'Deze man is historicus'; 'Deze mannen zijn historicus.' Hier verwijst historicus niet meer naar een persoon, maar drukt het een kenmerkende hoedanigheid van het onderwerp uit; dit is vaak een functie of beroep (historicus, wetenschappelijk medewerker), nationaliteit (Nederlander) of levensbeschouwing (christen, marxist).