Open menu Onze Taal logo

Hoofdmenu

  • Taalloket
  • Tijdschrift
  • Educatie
  • Schatkamer
  • Winkel
  • Trainingen
  • Over ons
  • Zoeken
  • Inloggen
  • Lid worden
  • Doneren
  • Taalloket
  • Tijdschrift
  • Educatie
  • Schatkamer
  • Winkel
  • Trainingen 
  • Over Onze Taal
  • Inloggen
  • Lid worden
  • Doneren
  
  1. Home
  2. Tijdschrift
  3. 01 2026

Hoe straattaal heel Nederland veroverde

Na de eerste artikelen over straattaal, in 1999, was het idee toch een beetje: het waait wel weer over. Maar straattaal bleef. Wie zijn de sprekers van nu? En kennen zij die woorden uit de begindagen nog?

Khalid Mourigh, Kristel Doreleijers en Stef Grondelaers Dido Drachman
Hoe straattaal heel Nederland veroverde

Als twee Amsterdamse jongeren in de jaren negentig een gesprekje voerden over hun uitgavenpatroon, kon dat weleens als volgt klinken:

- Wat doe je?

- Nieuwe patta’s buyen

- Hoeveel doekoes?

- Drie barkies man.

Driehonderd euro (toen nog gulden): dat zal niet iedereen voor een nieuw paar schoenen overhebben, maar sommige jongeren volgen natuurlijk graag de laatste trends. Dat merk je niet alleen aan hun manier van kleden, maar ook aan hun manier van praten. Sinds de jaren negentig is jongerentaal een hot topic in het maatschappelijke debat in Nederland. Destijds ontwikkelden jongeren in de grote steden hun eigen omgangstalen met elementen uit (migranten)talen als het Sranantongo (Surinaams), Engels, Marokkaans Arabisch, Tamazight (Riffijns Berber) en Papiaments. In het korte dialoogje zien we bijvoorbeeld al woorden uit het Engels (buyen voor ‘kopen’) en Sranantongo (patta’s voor ‘schoenen’, doekoes voor ‘geld’ en barkie voor ‘honderd gulden’, inmiddels ‘honderd euro’).

Zie je die meisje

Deze zogenoemde ‘straattaal’ is een van de spannendste onderwerpen uit de Nederlandse taal. Niet alleen omdat die wordt geassocieerd met stoere, assertieve jongeren, maar ook omdat het zo’n veranderlijk fenomeen is. Straattaal lijkt bovendien sterk leeftijdsgebonden te zijn. Volwassenen klagen vaak over de taal van jongeren: die zou op een vuilnisbak lijken waar alles in terechtkan en zó snel vernieuwen dat het haast niet bij te houden is.

Bij veel docenten zijn er bovendien zorgen over de invloed van straattaal op taalvaardigheid: straattaal zou gebrekkig Nederlands zijn, met al die elementen uit andere talen. Kenmerkend is bijvoorbeeld het afwijkende accent, beïnvloed door het Marokkaans, met een lange z (‘zzziek’) en een s die klinkt als sj (‘sjchool’). Ook halve of ‘kromme’ zinnen, zoals ‘Zie je die meisje’, ‘Ik koop sigaret’ en ‘Hij denkt hij is gek’ komen veel voor. Juist de combinaties van anderstalige invloeden in klanken, woordenschat en grammatica maken straattaal uniek en anders dan bijvoorbeeld de TikTok-taal van gen Z, waarin het vooral gaat om losse, catchy uitspraken die meestal alleen maar uit het Engels komen (zoals rizz voor ‘aantrekkingskracht’ en slay voor ‘geweldig’ of ‘stijlvol’).

Deim voor ‘meid’

In 1997 werd het ‘mengelmoesje’ dat jongeren op straat spraken ook wel smurfentaal genoemd. Het klonk voor veel mensen als versimpeld Nederlands: ik smurf, jij smurft, wij smurfen. Taalwetenschapper René Appel publiceerde er in 1999 het eerste wetenschappelijke artikel over – daar komt ook het dialoogje vandaan waar dit artikel mee begon. In datzelfde jaar schreef hij voor Onze Taal over de taal van jongeren in Amsterdam, onder de titel ‘Ik mix gewoon, no span!’ (‘Ik mix gewoon, geen zorgen!’). Oftewel: het mixen van talen is niks om je zorgen over te maken. Juist jongeren die het Nederlands goed beheersen, gebruiken straattaal, ontdekte Appel. Hij zorgde er bovendien voor dat de denigrerende term smurfentaal werd vervangen door straattaal, een term die de jongeren zelf hadden bedacht.

Hoewel René Appel straattaal op de onderzoeksagenda had gezet, bestond er onder wetenschappers aanvankelijk nog twijfel over de vraag hoe interessant dit verschijnsel nu echt was. Straattaal zou beperkt zijn tot bepaalde groepen jongeren in de Randstad. Inmiddels weten we wel beter. Jongeren door heel het land gebruiken straattaal en geven ‘hun’ stad of wijk ook een eigen straattaalnaam, zoals Damsko (‘Amsterdam’), Utca (‘Utrecht), Roffa (‘Rotterdam’) of Bims/Bimre (‘Bijlmer’). De straattaal in de Bijlmer heeft ook een eigen naam: Smibanese, een afleiding van smib, dat een omkering is van de straattaalnaam van de Bijlmer. Dat soort omkeringen komen in hedendaagse straattaal volop voor, bijvoorbeeld deim (‘meid’), attap (‘patta’) of assif (‘fissa, feestje’). Je kunt er duidelijk aan horen hoe creatief jongeren met taal omgaan.

Snel verloop

Een andere veelgehoorde aanname over straattaal gaat over het snelle verloop van de woordenschat. Woorden die vandaag ‘in’ zijn, zouden morgen alweer ‘uit’ zijn. De dialoog over de dure patta’s, bijvoorbeeld, zou je bij hedendaagse jongeren niet meer horen, was de verwachting van de wetenschappers, net zo goed als die patta’s zelf al lang zouden zijn ingeruild voor nieuwe. Straattaal zou slechts een modeverschijnsel zijn, een spreekstijltje dat zich voortdurend aanpast aan de trends in straatcultuur.

Maar er zijn aanwijzingen dat een aantal van de woorden uit de jaren negentig toch is gebleven. Zo zijn er een paar in woordenboeken van de standaardtaal beland, zoals fittie (‘ruzie’, oorspronkelijk ‘gevecht’) en doekoe(s) (‘geld’). Die krijgen dan labels als ‘informeel’ en ‘jongerentaal’. Maar dat deze woorden in het woordenboek staan, wil zeker niet zeggen dat iedereen ze herkent en gebruikt. En zodra woorden in het volwassen taalgebruik terechtkomen, is de kans groot dat ze voor jongeren minder aantrekkelijk worden. Het leuke aan straattaal is immers dat het een groepsgevoel creëert en in zekere zin onbegrijpelijk is voor buitenstaanders.

Ruim vijfentwintig jaar na het eerste onderzoek van René Appel staat het in elk geval vast dat straattaal niet meer weggaat. Nog altijd komen er nieuwe woorden bij, krijgen bestaande woorden nieuwe betekenissen en zijn er grappige innovaties, zoals de eerdergenoemde omkeringen. Maar verdwijnen er ook woorden? Of is er na al die jaren een stabiel lexicon ontstaan?

Straattaalquiz

De afgelopen jaren bezocht een van ons, taalwetenschapper Khalid Mourigh, scholen door heel het land met zijn straattaalquiz. Daarin vroeg hij leerlingen of ze de vaakst voorkomende straattaalwoorden uit de jaren negentig nog herkennen en gebruiken. En wat bleek? De meeste woorden lijken nog altijd springlevend te zijn! Om daar dieper in te duiken hebben we recent een groot onderzoek gedaan naar straattaalwoorden. Dat deden we via het in december 2024 opgerichte Jongerenpanel van het Meertens Instituut, het onderzoeksinstituut waaraan we alle drie verbonden zijn. In het panel zitten jongeren van zestien jaar en ouder van verschillende middelbare scholen in Nederland, met name uit havo- en vwo-klassen. Zij doen in de klas mee aan taalwetenschappelijk onderzoek. Onze vragenlijst over straattaalwoorden is door 573 scholieren uit het panel ingevuld.

De scholieren beantwoordden vragen over hun eigen straattaalgebruik en deden mee aan de straattaalquiz, waarin ze moesten aangeven of ze bepaalde woorden, waaronder de twintig woorden uit het onderzoek van René Appel, herkennen en gebruiken en wat ze volgens hen betekenen. In de tabel is per woord aangegeven hoe vaak jongeren het nog (zeggen te) gebruiken en herkennen.

Hoe straattaal heel Nederland veroverde

Gulden?

Wat direct opvalt: het hoge gebruikspercentage van standaard, maar dat is dan ook wel gelijk de vreemde eend in de bijt. Dat woord wordt nog wel vaak gebruikt, maar niet meer in de betekenis die het in de straattaal van 1999 had. Het wordt omschreven als ‘gewoon’, ‘normaal’, ‘regulier’ of ‘basic’, of zelfs als het ding ‘waar je je fiets op laat steunen’. De betekenis ‘tof, zeker’ lijkt dus te zijn verdwenen, en daarmee zijn de percentages vertekend.

Andere woorden zijn verouderd. Zo is het woord gila (‘gulden’) in het eurotijdperk natuurlijk gedateerd. In een poging er toch wat van te maken, verbeteren sommige jongeren de spelling van dit woord: “Ik denk dat je jilla bedoelt, dat betekent ‘gevangenis’.” Of ze beweren dat het ‘meisje’ of ‘geil’ betekent. In ieder geval kwam geen enkele jongere op de betekenis ‘gulden’.

Ook voor andere woorden geldt dat ze niet altijd hun oorspronkelijke betekenis hebben behouden. Soms wordt een woord in een specifiekere of nieuwe betekenis gebruikt, bijvoorbeeld ‘veel geld’ of ‘cash’ voor doekoe, ‘losgaan’, ‘gek’ of ‘wild’ voor loesoe, en ‘overslaan’ of ‘skippen’ voor scotten.

Uit de hogere herkenningspercentages blijkt dat voor alle woorden duidelijk geldt dat ze veel vaker worden herkend dan gebruikt. Dat is ook logisch: iemand die een woord herkent, gebruikt het niet noodzakelijk zelf. Wat misschien nog het meest opvalt, is dat jongeren de oorspronkelijke betekenissen van straattaalwoorden niet per se hoeven te kennen om ze te gebruiken: het gaat er voor hen blijkbaar vooral om dat ze weten dat een woord straattaal is, en dat het dus stoer of grappig is om te gebruiken. En zo ontstaan er gaandeweg ook nieuwe betekenissen.

72 talen

Het onderzoek leverde nog meer interessante inzichten op. Zo laat ons jongerenpanel mooi zien hoe meertalig Nederlandse jongeren zijn. Naast regionale talen en dialecten, zoals Fries, Twents, Limburgs, Zeeuws en Brabants, spreken de jongeren in ons panel maar liefst 72 verschillende andere talen, zoals Frans, Filipijns, Turks, Birmees, Arabisch, Papiaments, Hindi, Bosnisch, Spaans en Berbers. Er blijkt ook een verband te zijn tussen het taalprofiel van jongeren en hun straattaalgebruik. Jongeren die alleen Nederlands kennen, spreken minder straattaal dan meertalige jongeren. Vooral meertalige jongeren met een niet-westerse taalachtergrond geven aan dat ze vaak straattaal gebruiken. Niet voor niets vindt straattaal haar oorsprong in de grote steden, waar jongeren met verschillende achtergronden met elkaar in contact komen.

Ons onderzoek bevestigt het idee dat straattaalwoorden inmiddels door het hele land worden herkend en gebruikt. Er zijn geen grote verschillen (meer) tussen de Randstad en het midden, noorden en zuiden van Nederland. Kortom: ook op een school in Eindhoven of Leeuwarden kun je tegenwoordig straattaal horen, en in kleinere omliggende plaatsen net zo goed. Wel geldt: hoe groter de plaats, hoe meer straattaal jongeren gebruiken.

Een veelgehoorde vraag is of jongens meer straattaal gebruiken dan meisjes. Volgens onze gegevens lijkt dat inderdaad zo te zijn. Maar misschien nog wel interessanter is hun motivering. Jongens gebruiken straattaal vaker om stoer te zijn of om straatprestige uit te drukken. Het zijn de trendsetters. Meisjes gebruiken straattaal juist vaker als grapje. Bij meisjes doet taalachtergrond er ook minder toe: het is niet zo dat meisjes met een niet-westerse meertalige achtergrond meer straattaal gebruiken dan andere meisjes, terwijl dat verband er bij jongens wel is.

Niet meer weg te denken

Ons onderzoek laat zien dat straattaal geen vluchtig modegegeven is, maar in Nederland echt voet aan de grond heeft gekregen. In de afgelopen vijfentwintig jaar is er een soort basiswoordenschat ontstaan die waarschijnlijk nog veel breder is dan de woorden die wij hebben onderzocht en beschreven. Straattaal is kortom echt een onderdeel geworden van de jongerencultuur.

Toch ligt straattaal als term nogal eens onder vuur. Het label zou stigmatiserend zijn, juist vanwege de verwijzing naar de straat, die associaties oproept met ongeschooldheid, criminaliteit en marginaliteit, alsof de sprekers aan de zelfkant van de maatschappij staan. Dat is natuurlijk nooit de intentie geweest toen de term werd geïntroduceerd, nota bene met inspraak van de jongeren zelf. Door de jaren heen zijn er wel alternatieven geopperd, zoals multi-etnolecten en urban youth speech styles.

Al is het maar de vraag of die labels wél rechtdoen aan de realiteit, want we zien dat straattaal voorál maar zeker niet alléén is voorbehouden aan meertalige sprekers uit grote steden. Tegenwoordig herkennen en gebruiken vrijwel alle jongeren in meer of mindere mate straattaal, en gebruiken ze straattaal net zoals specifieke haar- of kledingstijlen: om zichzelf als cool en ‘urban’ voor te stellen. Nu rest de vraag: geldt dat ook nog steeds voor de jongeren uit de jaren negentig, die nu veertigers zijn? Ze hebben destijds gezorgd voor de inburgering van straattaal. En of dat nu een tijdelijke bevlieging was of niet: dankzij hen is straattaal in ieder geval niet meer weg te denken uit ons veelkleurige taallandschap.

Alstjeblieft!

Dit artikel uit het januari/februarinummer (2026) van Onze Taal kreeg je cadeau.

Meer over het nummer
logo
  • Genootschap Onze Taal
  • Paleisstraat 9
  • 2514 JA Den Haag
  • Taalvragen
  • 085 00 28 428 (werkdagen 9.30-12.30 en 13.30-16.00 uur)
  • taaladvies@onzetaal.nl
  • Ledenservice
  • 070 356 12 20 (dinsdag en donderdag 9.30-12.00 uur)
  • info@onzetaal.nl

Blijf op de hoogte!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief Taalpost.

  • Privacybeleid
  • Algemene voorwaarden
  • Cookies
  • Contact
Log in


of

Word lid