Wat is juist: 'Hij heeft zich er met een jantje-van-leiden van afgemaakt' of 'Hij heeft zich er met een jantje-van-leiden vanaf gemaakt'?
 

'Hij heeft zich er met een jantje-van-leiden van afgemaakt' is juist.

In zich ergens met een jantje-van-leiden van afmaken wordt het werkwoord afmaken aaneengeschreven. En als het hele werkwoord aaneengeschreven wordt, betekent dat altijd dat ook het voltooid deelwoord (in dit geval afgemaakt) als één woord geschreven wordt. Omdat af bij het werkwoord hoort, wordt het niet aan ervan vast geschreven. In bijvoorbeeld 'Hij maakt zich er met een jantje-van-leiden van af' blijft af ook los staan van van. Nog een paar voorbeelden:

  • Maak je je er nou weer met een jantje-van-leiden van af?
  • Ik heb me er met een jantje-van-leiden van afgemaakt.
  • Het is me gelukt om me er met een jantje-van-leiden van af te maken.
  • Ik heb me er gemakkelijk van afgemaakt.