Hoe schrijf je het werkwoord dat bij yoga hoort?

Het werkwoord yogaën krijgt een trema.

De juiste vervoeging van yogaën is:

  • ik yoga – ik yogade
  • jij/hij/zij yogaat – jij/hij/zij yogade
  • wij/jullie/zij yogaën – wij/jullie/zij yogaden
  • jij hebt geyogaad
  • de yogaënde mensen

Het trema in yogaën is nodig om de combinatie ae van elkaar te scheiden: hoewel de ae bijna nooit als één klank voorkomt, is hierbij wel sprake van ‘botsende klinkers’ (zie ook ons advies over klinkerbotsing).

Yoga’en en yoga-en zijn niet juist. Een apostrof verschijnt alleen in werkwoorden die van een afkorting zijn afgeleid, zoals sms’en. En een streepje (koppelteken) kan alleen worden gebruikt als een woordcombinatie een samenstelling is, dat wil zeggen een woordcombinatie waarvan de delen ook los kunnen voorkomen, terwijl yogaën een afleiding is: een grondwoord (yoga) en een achtervoegsel.

Meer voorbeelden

Vergelijkbare werkwoorden zijn:

  • iaën (‘balken als een ezel’): ik ia, jij/hij/zij iaat, iade(n), geïaad
  • instaën (‘instagrammen’): ik insta, jij/hij/zij instaat, instade(n), geïnstaad
  • ohaën (‘ouwehoeren’): ik oha, jij/hij/zij ohaat, ohade(n), geohaad
  • salsaën (‘de salsa dansen’): ik salsa, jij/hij/zij salsaat, salsade(n), gesalsaad
  • saunaën (‘de sauna bezoeken’): ik sauna, jij/hij/zij saunaat, saunade(n), gesaunaad
  • zumbaën (‘aan zumba doen’): ik zumba, jij/hij/zij zumbaat, zumbade(n), gezumbaad

Ook highteaën krijgt een trema; de vervoeging hiervan luidt:

  • highteaën (‘een high tea gebruiken’): ik hightea, jij/hij/zij highteat, highteade(n), gehightead

Werkwoorden die zijn afgeleid van een woord dat op een o eindigt, worden op een vergelijkbare manier vervoegd:

  • autoën (‘een autoritje maken’): ik auto, jij/hij/zij autoot, autode(n), geautood
  • bingoën: ik bingo, jij/hij/zij bingoot, bingode(n), gebingood
  • dominoën: ik domino, jij/hij/zij dominoot, dominode(n), gedominood
  • echoën: ik echo, jij/hij/zij echoot, echode(n), geëchood
  • jojoën: ik jojo, jij/hij/zij jojoot, jojode(n), gejojood
  • judoën: ik judo, jij/hij/zij judoot, judode(n), gejudood
  • kanoën: ik kano, jij/hij/zij kanoot, kanode(n), gekanood
  • pogoën: ik pogo, jij/hij/zij pogoot, pogode(n), gepogood
  • poloën: ik polo, jij/hij/zij poloot, polode(n), gepolood
  • shampooën: ik shampoo, jij/hij/zij shampoot, shampode(n), geshampood
  • strategoën: ik stratego, jij/hij/zij strategoot, strategode(n), gestrategood
  • tangoën: ik tango, jij/hij/zij tangoot, tangode(n), getangood
  • vetoën (‘een veto uitspreken’): ik veto, jij/hij/zij vetoot, vetode(n), gevetood
  • waterpoloën: ik waterpolo, jij/hij/zij waterpoloot, waterpolode(n), gewaterpolood