Is wordt juist in de zin 'Wat wordt je nu precies kwalijk genomen?'?

Ja, wordt is hier juist. De twijfel in dit soort zinnen wordt veroorzaakt doordat je achter de persoonsvorm staat. Er bestaat immers een regel die zegt: als je onderwerp is en achter de persoonsvorm staat, wordt er geen t toegevoegd. Deze regel geldt echter alleen voor je als onderwerpsvorm, dus voor het je dat vervangbaar is door jij. Bijvoorbeeld:

  • Word je (= jij) straks nog gebeld? (vergelijk: Krijg je (= jij) straks nog een telefoontje?)
  • Word je (= jij) ook zo moe van warm weer? (vergelijk: Ben je (= jij) ook zo moe door het warme weer?)
  • Houd je (= jij) van olijven? (vergelijk: Geef je (= jij) om olijven?)

In al deze zinnen is je de verkorte vorm van de onderwerpsvorm jij. De regel 'er komt geen -t als je (= jij = onderwerp) achter de persoonsvorm staat' kan dus worden toegepast.

De zin 'Wat wordt je nu precies kwalijk genomen?' zit anders in elkaar. Je is hier geen onderwerp; het is niet vervangbaar door jij, maar door de niet-onderwerpsvorm jou. Dat komt doordat je in deze zin een meewerkend voorwerp is. Het onderwerp in deze zin is wat. Achter de stam word (de stam is het hele werkwoord min de uitgang -en) komt nu wel een t: wordt. Vergelijk ook:

  • Wordt je gevraagd stil te zijn? (je = 'jou'; stil te zijn is onderwerp)
  • Wordt je verteld wat de bedoeling is? (je = 'jou'; wat de bedoeling is is onderwerp)
  • De uitslag wordt je schriftelijk meegedeeld. (je = 'jou'; de uitslag is onderwerp)
  • Wordt je een grote winst in het vooruitzicht gesteld? (je = 'jou'; een grote winst is onderwerp)
  • Dat je niet volmaakt bent, wordt je vast wel vergeven. (je = 'jou'; dat je niet volmaakt bent is onderwerp)
  • Als je je niet lekker voelt, wordt je vaak van alles aangepraat. (je = 'jou'; van alles is onderwerp)
  • Yoga houdt je fit! (je = 'jou'; yoga is onderwerp)
  • Een cryptogram houdt je scherp. (je = 'jou'; een cryptogram is onderwerp)
  • De Open Universiteit leidt je op! (je = 'jou'; de Open Universiteit is onderwerp)
  • Pas op; Daan rijdt je bijna omver! (je = 'jou'; Daan is onderwerp)
  • Philip scheldt je altijd uit; pik dat toch niet van hem! (je = 'jou'; Philip is onderwerp)
  • Als je ernaar vraagt, wordt je vast verteld dat je je mond moet houden. (je = 'jou'; dat je je mond moet houden is onderwerp)
  • Een crisis biedt je de mogelijkheid om van koers te veranderen. (je = 'jou'; een crisis is onderwerp)
  • Niets weerhoudt je ervan om het te proberen. (je = 'jou'; niets is onderwerp)
  • Probeer het toch gewoon; wat weerhoudt je? (je = 'jou'; wat is onderwerp)
  • Eerst wordt je om toestemming gevraagd. (je = 'jou'; de zin bevat geen onderwerp)