Hoe schrijf je de naam van een wet?

De naam van een wet begint met een hoofdletter (vaak de w van wet): Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet openbaarheid van bestuur, Wet werk en bijstand, Algemene nabestaandenwet, Gemeentewet, etc.

Vroeger kregen alle kernwoorden in de naam van een wet een hoofdletter. Aan de namen van oude(re) wetten is dat goed te zien: Algemene Ouderdomswet, Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, Wet Infrastructuurfonds, Wet op de Walvisvangst 1960, etc. In de jaren negentig is besloten voortaan alleen het eerste woord van de wetnaam met een hoofdletter te schrijven.

Bij twijfel over de juiste naam van een wet is het handig om de wettekst zelf erop na te slaan, bijvoorbeeld via overheid.nl. In het laatste artikel van de wet wordt namelijk de citeertitel gegeven, dus de manier waarop de wet in andere publicaties genoemd moet worden.

Wat afkortingen van wetten betreft: het is lange tijd gebruikelijk geweest om afkortingen die 'letter voor letter' worden uitgesproken met hoofdletters te schrijven: WMO, WOB, AWBZ, WWB, AOW, etc. Langere afkortingen die als 'gewoon' woord worden uitgesproken, krijgen alleen een beginhoofdletter: Wajong ('Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten'), Wet Pemba ('Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen') en Walvis ('Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in socialeverzekeringswetten').

Maar er lijkt een tendens te zijn, zeker op ministeries en bij ambtenaren en juristen, om een overdaad aan hoofdletters te vermijden en daarom bij álle wetsafkortingen alleen een beginhoofdletter te gebruiken: Wmo, Wro, Wm, etc. De leidraad van het Groene Boekje zegt hierover: "De afgekorte namen van wetten, besluiten of overheidsplannen schrijven we met hoofdletters, ook als de uitgeschreven vorm geen hoofdletters bevat. (...) Als een andere schrijfwijze ingeburgerd is, bijvoorbeeld onder ambtenaren, dan geldt het donorprincipe." Dit gebruik kan worden overgenomen.