Welke werkwoordstijden kent het Nederlands?

Volgens sommigen bestaan er in het Nederlands eigenlijk maar twee 'echte' werkwoordstijden: de onvoltooid tegenwoordige tijd (ik werk, ik lees) en de onvoltooid verleden tijd (ik werkte, ik las). Voor alle andere werkwoordstijden moeten meerdere werkwoorden met elkaar gecombineerd worden. Dat leidt tot acht werkwoordstijden:

  1. onvoltooid tegenwoordige tijd (ott): ik werk, ik lees
  2. onvoltooid verleden tijd (ovt): ik werkte, ik las
  3. voltooid tegenwoordige tijd (vtt): ik heb gewerkt, ik heb gelezen
  4. voltooid verleden tijd (vvt): ik had gewerkt, ik had gelezen
  5. onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt): ik zal werken, ik zal lezen
  6. voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt): ik zal gewerkt hebben, ik zal gelezen hebben
  7. onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt): ik zou werken, ik zou lezen
  8. voltooid verleden toekomende tijd (vvtt): ik zou gewerkt hebben, ik zou gelezen hebben

Overigens kunnen we ook de ott gebruiken om een toekomstige handeling mee uit te drukken: 'Ik kom morgen wel even langs.' Ook wordt gaan veel gebruikt om de toekomende tijd uit te drukken, maar niet iedereen vindt dat in alle gevallen correct: 'Ik ga morgen komen.' In zinnen als 'Ik ga een stukje fietsen' of 'Het gaat regenen' is er geen enkel bezwaar tegen het gebruik van gaan.

Uitgebreide informatie over de werkwoordstijden en hun gebruiksmogelijkheden staat in de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS).