Wat is juist: ‘Waar vind u ons?’ of ‘Waar vindt u ons?’

‘Waar vindt u ons?’ is juist.

Als het onderwerp van de zin u is, komt er in de tegenwoordige tijd altijd een t achter de stam van het werkwoord.

Meer voorbeelden:

  • U vindt de voorstelling vast geweldig.
  • Wat vindt u ervan?
  • U vindt de wc’s in de centrale hal.
  • In onze winkel vindt u álles!

Uit deze voorbeelden blijkt dat het niet uitmaakt of het onderwerp u voor of na de persoonsvorm (hier telkens vindt) staat. Nog een paar voorbeelden met andere werkwoorden (u is telkens het onderwerp):

  • U ziet aan uw rechterhand een elfde-eeuwse kerk.
  • Aan uw rechterhand ziet u een elfde-eeuwse kerk.
  • Op 6 augustus wordt u verwacht op het gemeentehuis.
  • U wordt volgende week toch vijftig?
  • U rijdt graag auto, hoor ik.
  • Rijdt u in een oldtimer?

Bij twijfel kun je de persoonsvorm vervangen door een vorm van het onzin-werkwoord smurfen: als je daarbij een t aan het eind hoort, moet je ook een t toevoegen aan een stam als vind:

  • Wat smurft u ervan? - dus ook: Wat vindt u ervan?
  • U smurft ons op de tweede verdieping - dus ook: U vindt ons op de tweede verdieping.

Waarom is Waar vind je ons zonder -t?

Als je/jij achter de persoonsvorm staat, komt er geen t achter de stam:

  • Aan je rechterhand zie je een elfde-eeuwse kerk.
  • Op 6 augustus word je verwacht op het gemeentehuis.

Deze bijzonderheid van jij/je komt voort uit de ontstaansgeschiedenis van dit woord. Jij/je is ontstaan uit g(h)i. In de Middeleeuwen plakten de mensen ghi aan het werkwoord vast als het daarachter stond, met een d ertussen in plaats van g(h). Men zei en schreef dus hebdi (‘hebt ge’) en kundi (‘kunt ge’). Deze d veranderde in de loop van de tijd: di werd dji, dzji, zji en ten slotte ji (jij). Daarna werd de i ook nog een e: je. Hebdi veranderde zo dus na allerlei tussenstappen in heb jij/je, zonder t.

Pas vanaf de zeventiende eeuw kwam jij/je ook vóór het werkwoord voor. Vormen als je hebt en je houdt zijn dus ‘maar’ drie eeuwen oud. In die volgorde werd (en wordt) er wél een t aan de stam toegevoegd. In heb je en houd je zie je nog een kenmerk terug van de oude vorm di, die aan het werkwoord werd geplakt, en zo het toevoegen van de t als het ware ‘blokkeerde’.

U heeft zich van een derde persoon (u is) ontwikkeld tot een beleefde vorm van de tweede persoon (u bent, net als je/jij bent). Maar: in ben je/jij valt de t weg, terwijl in bent u wél een t moet staan. Ben je/jij en vind je/jij, enz. zijn dus echt uitzonderingen. De werkwoordsvormen bij u krijgen altijd stam + t: het is u vindt én vindt u. En zo zitten we nu met een verschil tussen ‘Waar vind je ons?’ en ‘Waar vindt u ons?’