Is het 'Hij stond versteld van al het werk dat al verzet was' of 'Hij stond verstelt van al het werk dat al verzet was'?

 

Het moet versteld zijn: 'Hij stond versteld van al het werk dat al verzet was.'

In zinnen als 'Je staat er zeker versteld van', 'Ik heb nog nooit zo versteld gestaan' en 'Begrijpelijk dat ze er versteld van stonden' is versteld een bijvoeglijk naamwoord met de betekenis 'verbaasd, verschrikt'. Het is van oorsprong het voltooid deelwoord van het werkwoord verstellen, en het bevat dezelfde d als die ook in de gewone verleden tijd verstelde staat (zie ons advies over 't kofschip).

Hoe zitten die zinnen dan in elkaar? Het zijn zinnen met een naamwoordelijk gezegde. Versteld is het naamwoordelijk deel van het gezegde: het geeft de toestand van het onderwerp aan. Die toestand wordt aan het onderwerp gekoppeld met een koppelwerkwoord. Dat is hier geen werkwoord uit het bekende rijtje 'zijn, worden, blijven, blijken ...', maar staan kan ook als koppelwerkwoord fungeren; het wordt dan een 'vervangend koppelwerkwoord' genoemd. In hij staat versteld is staat de persoonsvorm die de uitgang -t krijgt. In combinatie met staan is versteld nooit een persoonsvorm en kan de vorm verstelt dus nooit juist zijn.

Het werkwoord verstellen (met de vervoeging jij/hij verstelt - verstelde - hebt versteld) komt tegenwoordig vrijwel alleen voor in de betekenissen 'een andere stand geven' en 'repareren'. Bijvoorbeeld:

  • U verstelt de rugleuning van de stoel met de knop rechts.
  • Ken jij nog iemand die zijn eigen kleding verstelt?