Wat is juist: 'Bij het sporten mag je geen oorbellen inhebben' of 'Bij het sporten mag je geen oorbellen in hebben'?

 

In en hebben worden bij voorkeur gescheiden door een spatie. Volgens de meeste naslagwerken is 'Bij het sporten mag je geen oorbellen in hebben' dus juist. Alleen Koenen (2006) keurt inhebben hier goed; het geeft het voorbeeld zijn contactlenzen inhebben.

Inhebben wordt wel door alle naslagwerken aaneengeschreven in de pee/pest/schurft/ziekte/smoor inhebben.

Er zijn meer combinaties van een voorzetsel en hebben. De meeste worden los geschreven. Alleen veelvoorkomende combinaties zijn één woord (een samenstelling) én de combinaties die een betekenis hebben die niet zomaar uit de losse delen volgt. Een overzicht:

  • aanhebben
    • Ik vond dat ze een schitterende jurk aanhad.
  • af hebben

    • je werk af hebben
  • bijhebben

    • alle zeilen bijhebben ('uitgespannen hebben staan')
    • Paul vroeg of ze geld bijhad. ('bij zich had'; bijhad is niet voor iedereen acceptabel)
  • binnen hebben

    • We bellen u zodra we het boek binnen hebben.
  • doorhebben

    • Ik wou dat ik alles zo snel doorhad als jij.
  • om hebben

    • Ik zag dat Frank mijn sjaal om had.
    • Ik zag dat Anja 'm om had. ('dronken was')
  • onder hebben

    • de wind eronder hebben
    • schaatsen onder hebben
  • ophebben

    • Ik vond het grappig dat Niels een hoge hoed ophad.
    • parfum ophebben
    • het eten ophebben
    • flink wat ophebben ('dronken zijn')
    • veel met iemand ophebben ('een hoge dunk van iemand hebben')
  • overhebben

    • Ik hoorde dat je nog verf overhebt.
    • Ik vrees dat ik na een middag winkelen geen benen meer overheb.
    • Je moet er iets voor overhebben.
  • tegenhebben

    • Ik ben eraan gewend dat ik de hele afdeling tegenheb.
    • Wat zij vooral tegenheeft, is haar arrogantie.
  • terug hebben

    • Wil je je pen niet terug hebben?
  • uithebben / uit hebben

    • geld uithebben ('geld hebben uitstaan')
    • een boek uit hebben
  • voorhebben

    • Wie aan het koken is, kan het best een schort voorhebben.
    • Op het laatst zag Paula pas dat ze de verkeerde voorhad. ('de betrokken persoon verwarde met een andere')
    • het goed met iemand voorhebben ('het goed met iemand menen')

Beethebben in de betekenis 'te pakken hebben' (zoals in 'iets goed beethebben'), liefhebben, vasthebben en plaatshebben zijn overigens ook samenstellingen.