'Gebrek aan fantasie kan de Denen niet ontzegd worden.' Hebben de Denen nu fantasie of niet?

 

Hier staat dat de Denen géén fantasie hebben. Als bedoeld is dat ze wél fantasie hebben, had er moeten staan: 'Gebrek aan fantasie kan de Denen niet verweten worden' of 'Fantasie kan de Denen niet ontzegd worden.' Ook dit zijn echter moeilijk interpreteerbare zinnen. Het duidelijkst zou zijn: 'Dat de Denen fantasie hebben, kan niemand ontkennen' of 'Gebrek aan fantasie hebben de Denen niet.'

Ontzeggen betekent 'zeggen dat iemand iets (een eigenschap) niet heeft, iets bij hem niet erkennen'. Iemand een eigenschap niet ontzeggen betekent dus dat die persoon de eigenschap volgens jou wél heeft. In 'Gebrek aan fantasie kan de Denen niet ontzegd worden' wordt uitgedrukt dat het niet-hebben van fantasie iets is wat de Denen kenmerkt.

Het is niet verwonderlijk dat de voorbeeldzin voor verwarring zorgt, want er komen maar liefst drie ontkenningen in voor: ontzeggen ('niet erkennen'), niet en gebrek aan ('het niet bezitten van'). Twee ontkenningen in een zin kunnen de interpretatie al bemoeilijken; bij drie ontkenningen raken we het spoor helemaal snel bijster.