Wanneer gebruik je degene en wanneer diegene?

Degene en diegene duiden allebei een bepaalde persoon aan. Degene is de ‘gewone’ vorm. Diegene is wat nadrukkelijker.

Degene en diegene zijn synoniemen van elkaar. Het zijn aanwijzende voornaamwoorden die naar personen verwijzen, ongeacht het geslacht. Je gebruikt diegene als je wat meer nadruk wilt leggen. In andere gevallen ligt degene het meest voor de hand. Na degene en diegene komt er meestal een bijzin met die of een nadere bepaling met een voorzetsel.

  • Wil degene die het laatste vertrekt het raam dichtdoen?
  • Deze mail is bestemd voor diegene die het laatst vertrekt.
  • Degene met de snelste tijd wint. 

Als er naar meer personen wordt verwezen, komt er een meervouds-n achter: degenen, diegenen.

  • Degenen die nog geen kaartje hebben, kunnen dat nu ophalen.
  • Het is de bedoeling juist diegenen uit te nodigen die een duwtje in de rug nodig hebben.
  • We verdeelden de deelnemers in teams, waarna diegenen in het blauwe team begonnen.

‘Los’ gebruik van diegene

Diegene(n) komt ook voor zonder dat er een bijzin of nadere aanduiding volgt:

  • Als je erg verliefd bent op iemand, moet je de hele tijd aan diegene denken.
  • We zoeken twee nieuwe leidinggevenden. Idealiter hebben diegenen ervaring met het aansturen van vrijwilligers.

Sommige mensen maken bezwaar tegen dit ‘opzichzelfstaande, losse’ gebruik van diegene(n). Het is informeel en spreektalig, maar anders dan in België heeft het in Nederland intussen wel vaste voet aan de grond gekregen.

Het voordeel van het ‘losse’ gebruik van diegene is dat het niet specifiek mannelijk of vrouwelijk is. Het is dus ook te gebruiken als onbekend of niet relevant is welk geslacht de persoon in kwestie heeft. Het is dan een genderneutraal voornaamwoord.