Wat is juist: ‘De vrouw die we een bos bloemen wilden geven, negeerde ons’ of ‘De vrouw wie we een bos bloemen wilden geven, negeerde ons’?

Beide zinnen zijn goed. ‘De vrouw wie we een bos bloemen wilden geven’ werd vroeger als juister beschouwd, maar al lange tijd is ook ‘de vrouw die we een bos bloemen wilden geven’ juist. De betrekkelijke voornaamwoorden die en wie zijn in deze zin meewerkend voorwerp (verderop meer hierover).

De functies van die

Die kan verschillende functies in de zin hebben. Namelijk: onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en naamwoordelijk deel van het gezegde. Voorbeelden:

  • De vrouw die daar fietst, is een bekende zangeres. (die is onderwerp van de bijzin ‘die daar fietst’)
  • De man die ik ooit ontslagen heb, is nu directeur. (die is lijdend voorwerp van de bijzin ‘die ik ontslagen heb’)
  • De kinderen die ik de mop vertelde, snapten ’m niet. (die is meewerkend voorwerp van de bijzin ‘die ik de mop vertelde’)
  • Hij heeft geen goed woord over voor de sufferd die ik ben. (die is naamwoordelijk deel van het gezegde in de bijzin ‘die ik ben’)

Wie: meewerkend voorwerp

Als het betrekkelijk voornaamwoord het meewerkend voorwerp van de bijzin is én naar personen verwijst, is wie ook mogelijk. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS, 1997) vermeldt de voorbeelden ‘De man die we dat gevraagd hebben, is psycholoog’ én ‘De man wie we dat gevraagd hebben, is psycholoog.’ Daaruit valt op te maken dat beide vormen mogelijk zijn. Dus:

  • De vrouw wie we een bos bloemen wilden geven, negeerde ons. (wie is meewerkend voorwerp van de bijzin ‘wie we een bos bloemen wilden geven’)
  • De vrouw die we een bos bloemen wilden geven, negeerde ons. (die is meewerkend voorwerp van de bijzin ‘die we een bos bloemen wilden geven’)
  • De kinderen wie ik de mop vertelde, snapten ’m niet. (wie is meewerkend voorwerp)
  • De kinderen die ik de mop vertelde, snapten ’m niet. (die is meewerkend voorwerp)

Wie: na een voorzetsel

Na een voorzetsel is alleen wie mogelijk als het om een of meer personen gaat:

  • De vrouw aan wie we een bos bloemen wilden geven, negeerde ons.
  • Het meisje voor wie we een liedje zongen, was jarig.
  • De lerares met wie ik sprak, was erg enthousiast.
  • De kinderen aan wie ik de mop vertelde, snapten ’m niet.