Wat is goed: ‘Dat heb ik hen horen zeggen’ of ‘Dat heb ik hun horen zeggen’?

Hen is hier goed. In ‘Ik heb het hen horen zeggen’ is hen een lijdend voorwerp bij het werkwoord horen. De zin is eigenlijk een combinatie van twee zinnen: ‘Ik heb hen gehoord’ (hen is het lijdend voorwerp bij horen) en ‘Zij zeiden het’ (het is het lijdend voorwerp bij zeggen).

In bijvoorbeeld ‘Ik heb hun een nieuw melodietje leren spelen’ is hun juist. Bij leren hoort een meewerkend voorwerp (je leert iets aan iemand). De vorm van het meewerkend voorwerp is hun.

Overigens is ‘Ik heb hen een nieuw melodietje leren spelen’ voor veel mensen ook juist. Hen vervult al eeuwenlang ook de functie van meewerkend voorwerp - hoe onderwijzers ook hun best hebben gedaan een verschil tussen hun en hen aan te leren. Er is al tientallen jaren een ontwikkeling gaande waarin zinnen als ‘Ik leerde hen een melodietje spelen’ en ‘Ik vertelde hen de waarheid’ de voorkeur krijgen boven de traditioneel ‘juiste’ varianten ‘Ik leerde hun een melodietje spelen’ en ‘Ik vertelde hun de waarheid.’

Handig hulpmiddel: de Taal*maat

In de Taal*maat Hun, hen of ze? komen de regels voor hun, hen en ze stap voor stap voorbij in een stroomdiagram. Een handig hulpmiddel voor wie de regels in de vingers wil krijgen!

Ik heb het gehoord – ik heb het horen zeggen

Bijzonder in ‘Ik heb het hen horen zeggen’ is ook dat er wel ik heb staat, maar dat er verderop in de zin geen voltooide tijd gehoord voorkomt. In plaats daarvan wordt het hele werkwoord (ook wel ‘de infinitief’) horen gebruikt. Horen wordt in de grammatica in dit soort zinnen ‘vervangende infinitief’ genoemd. In bijvoorbeeld ‘Ik heb hen zien optreden’ en ‘Ik heb hen bij de bushalte laten afzetten’ zijn zien en laten vervangende infinitieven.