Wanneer is het box, boxen en boxer, en wanneer boks, boksen en bokser?

De woorden boks, boksen en bokser – met ks dus – hebben met de bokssport te maken. In andere betekenissen is het meestal box, boxen en boxer met een x.

Boks, boksen, bokser

Het werkwoord boksen betekent ‘tegen iemand vechten met de vuisten, vooral als sport’. 

  • Bernard Hopkins werd in 2011 de oudste wereldkampioen boksen.
  • Ik heb nog nooit van mijn leven gebokst.

De vervoeging in de tegenwoordige tijd is: ik boks, jij/hij/zij bokst, wij/jullie/zij boksen. De verleden tijd is bokste/boksten en het voltooid deelwoord is gebokst.

Iemand die bokst, is een bokser. Een vrouwelijke bokser kun je ook een boksster noemen, met dubbel s (zie ook deze pagina).

Samenstellingen met boksen zijn onder meer boksbal, boksbeugel, boksbond, boksgala, bokshandschoen, bokskampioen, boksring, bokssport, bokstrainer en bokswedstrijd.

Andere bokssporten worden ook met ks geschreven, zoals kickboksen en thaiboksen en de bijbehorende vervoegde vormen (gekickbokst) en afleidingen (kickbokser).

In de uitdrukkingen het voor elkaar boksen en tegen iemand opboksen gaat het ook om boksen met ks.

De begroeting ‘Boks!’, waarbij twee mensen elk een vuist tegen die van de ander plaatsen, is met ks. Tot slot bestaat het dialectwoord boks, dat ‘broek’ betekent.

Box, boxen, boxer

Het zelfstandig naamwoord de box heeft veel betekenissen. Prisma XL Nederlands (online) noemt er tien:

  1. doos of voorwerp in de vorm van een doos (koelbox)
  2. vierkant verplaatsbaar hek waarbinnen een baby kan kruipen of lopen
  3. afgescheiden gedeelte van een stal, bestemd voor één paard
  4. garageafdeling voor één auto
  5. berghok onder in een flatgebouw dat bij een van de flatwoningen hoort
  6. verkorting van speakerbox, losse luidspreker
  7. een van de categorieën waarin soorten inkomsten worden onderverdeeld voor de belasting
  8. postbus
  9. eenvoudige camera in doosvorm
  10. schouwburgloge

Alle betekenissen zijn afgeleid van een basisbetekenis ‘vrij kleine holle ruimte met hoekige buitenkant om iets in op te bergen of te stallen’. Het meervoud is boxen.

Bekende samenstellingen met box als eerste deel zijn boxset en boxspring(bed). Box komt vaker voor als tweede deel van een samenstelling of woordgroep: babbelbox, beatbox, black box (‘zwarte doos’), boombox, chatbox, checkbox, dvd-box, (e-)mailbox, garagebox, geluidsbox, inbox, jukebox, kelderbox, koelbox, outbox, settopboxskiboxskybox en spambox.

Een boxer kan een bepaalde hond zijn, maar ook een onderbroek. Dan is het een verkorting van boxershort (‘onderbroek in de vorm van een kort (sport)broekje’).

  • Sinds wij een boxer hebben, zijn we lid van de Nederlandse Boxerclub.
  • Vroeger waren boxers wijde mannenonderbroeken met pijpen. Tegenwoordig zijn boxers vaak strak en zijn ze er ook voor vrouwen.

Minder bekende samenstellingen met box of boxer zijn boxcalf (een soort leer), boxpak(je) (een pakje voor baby’s) en boxermotor.