Wat is de functie van op de fiets in de zin 'Ik ga op de fiets naar het station'?

In deze zin is op de fiets een bijwoordelijke bepaling van middel; het zinsdeel geeft aan op welke manier de spreker naar het station gaat.

Bijwoordelijke bepalingen geven nadere informatie over de handeling, het gebeuren of de toestand die in de zin wordt uitgedrukt. Vaak kan bij ontleding worden volstaan met de overkoepelende benaming bijwoordelijke bepaling, maar soms is er behoefte aan nadere precisering. Dan kan een toevoeging als van middel worden gebruikt. Er zijn veel verschillende bijwoordelijke bepalingen. In de voorbeeldzinnen hieronder komen de bepalingen aan bod die worden onderscheiden door de Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS, 1997). Enkele bijwoordelijke bepalingen worden in aparte adviezen verder toegelicht, zie daarvoor onder 'verwante adviezen'.

Bijwoordelijke bepaling van plaats

  • De trein staat klaar op perron 7.
  • Simon is opgegroeid in Dieren.

Bijwoordelijke bepaling van richting

  • Ik ga op de fiets naar het station.
  • Zij rijdt met de auto het bos in.

Bijwoordelijke bepaling van tijd

  • Irene komt volgende week terug van vakantie.
  • Wacht je even?
  • Ik zal het nooit meer doen.

Bijwoordelijke bepaling van frequentie

  • Ik ga meestal op zaterdag naar de sportschool.
  • Je bent deze maand al drie keer te laat gekomen.

Bijwoordelijke bepaling van graad

  • De docent was erg tevreden over de resultaten van haar leerlingen.
  • Het waait vandaag flink.

Kwantificerende bepaling

  • P.C. Boutens is een bijna vergeten dichter.
  • De fles is praktisch leeg.

Bijwoordelijke bepaling van maat

  • Anna weegt 62 kilo.
  • Wij hebben gisteren acht kilometer gewandeld.

Bijwoordelijke bepaling van oorzaak*

  • Door de hevige regenbuien zijn grote delen van Engeland onder water gelopen.
  • Zij liet van schrik het dure bord uit haar handen vallen.

Bijwoordelijke bepaling van reden*

  • Hij ging naar huis om de hond uit te laten.
  • Met het oog op de toekomst is een reorganisatie onontkoombaar. 

Bijwoordelijke bepaling van doel

  • Ter verhoging van de feestvreugde is een band ingehuurd.
  • Hij heeft wekenlang hard gestudeerd om een voldoende te halen.

Bijwoordelijke bepaling van gevolg

  • Tot grote blijdschap van de leerlingen was er 's middags geen les.
  • Het publiek was tot tranen toe geroerd.

Bijwoordelijke bepaling van middel

  • Ga je daarmee naar Parijs?
  • Soep eet je met een vork.

Bijwoordelijke bepaling van voorwaarde

  • Bij regen blijf ik liever binnen.
  • Je kunt desnoods wel met mij meerijden.

Bijwoordelijke bepaling van toegeving

  • Hoewel zij erg haar best deed, kon ze de anderen niet bijbenen.
  • Ondanks alle tegenslagen hebben we toch een prettige vakantie gehad.

Bijwoordelijke bepaling van hoedanigheid

  • Je moet netter werken; je maakt er een zootje van.
  • Ik help je met liefde om er iets goed van te maken.

Bijwoordelijke bepaling van omstandigheid

  • Onder luid applaus sloot Marco Borsato het concert af.
  • Met een verraste blik pakte hij het cadeau aan. 

Bijwoordelijke bepaling van beperking

  • Je bent voor een nieuweling al goed ingevoerd!
  • Met uitzondering van Emily vond iedereen de film geweldig.

Bijwoordelijke bepaling van verhouding

  • Naarmate hij langer in dienst was, ging hij beter functioneren.
  • De groepen worden ingedeeld naar leeftijd.

Bijwoordelijke bepaling van modaliteit

  • Gelukkig liep alles goed af.
  • Ik wacht al een uur op je.

Bijwoordelijke bepaling van ontkenning

  • Julia is niet aanwezig.
  • Niet alles kan altijd voorkomen worden.

Bijwoordelijke bepaling van bevestiging

  • Hij viert zijn verjaardag inderdaad op een zaterdag.
  • Vandaag heeft Pascalle een vrije dag, maar morgen is ze wel aanwezig.

*De bijwoordelijke bepalingen van oorzaak en reden worden ook wel samen de bijwoordelijke bepaling van causaliteit genoemd.