Print deze pagina

Staande uitdrukkingen: ten alle tijden / te allen tijde

Wat is juist: ten alle tijden of te allen tijde?

Te allen tijde is juist. In deze zogenoemde 'staande uitdrukking' zijn enkele oude naamvalsvormen behouden gebleven. Er zijn veel staande uitdrukkingen waarin nog oude naamvallen voorkomen, bijvoorbeeld: van dien aard, uit hoofde van, met dien verstande. Er zijn vrijwel geen regels te geven om te bepalen welke vorm de juiste is, maar enkele vuistregels zijn er wel:

  1. Ter hoort bij vrouwelijke woorden, ten bij mannelijke. Bij sommige woorden komt echter variatie voor; het woord tijd kon vroeger ook vrouwelijk zijn, tegenwoordig is het uitsluitend mannelijk. Daardoor bestaan naast elkaar ten tijde van en in de loop der tijd.
  2. Ten/ter is een samentrekking van het voorzetsel te of tot en het verbogen lidwoord den/der. Ter of ten is alleen juist als het vervangen kan worden door de of het: ter waarde van (omdat de waarde van ook kan), maar te uwen kantore (want het uwen kantore/kantoor kan niet).

Hieronder staat een lijst met veelvoorkomende staande uitdrukkingen. Enkele tips bij deze lijst:

  • Bij sommige uitdrukkingen zijn er meerdere mogelijkheden; de vorm die het gewoonst is wordt dan het eerst genoemd.
  • De lijst gaat uit van de vormen die in het Witte Boekje (2011) worden gegeven; waar deze afwijken van het Groene Boekje (2005) is dat tussen haakjes aangegeven.
  • De uitdrukkingen zijn grofweg gealfabetiseerd op zelfstandig naamwoord; veel uitdrukkingen staan meerdere keren in de lijst. Zo is in het zweet des aanschijns zowel bij de A van aanschijn als bij de Z van zweet te vinden. De lijst kan ook doorzocht worden met de zoekfunctie [ctrl-f].

A B C D E F G H I J K L M N O P R S T U V W Z

A

aanhalen: ter aangehaalder plaatse (GB: ook ter aangehaalde plaatse)
aanhoren: ten aanhoren van
aanschijn: in het zweet des/mijns/haars/zijns/uws/onzes/huns aanschijns
aanschouwen: ten aanschouwen van
aanstoot: steen des aanstoots
aanzien: te dien/mijnen/haren/zijnen/uwen/hunnen aanzien
aanzien: ten aanzien van
aanzienlijk: van aanzienlijken huize
aard: uit de aard der zaak, uit den aard der zaak
aard: van dien aard
aarde: ter aarde (bestellen, werpen, storten, etc.)
adellijk: van adellijken huize
algemeen: ten algemenen nutte
alle: in allen gevalle (= 'wat er ook gebeurt')
alle: in allerijl
alle: te allen tijde
alle: ons aller aanwezigheid/belang/naam/vriend
alle: u aller aanwezigheid/belang/naam/vriend
ander: ten anderen male
ander: ter andere zijde (VD: ook ten andere zijde)
ander: uit anderen hoofde
anker: ten anker liggen
antwoord: ten antwoord
ar: in arren moede
attentie: te mijner/jouwer/uwer/harer/zijner/onzer/hunner attentie
attentie: ter attentie van

naar boven

B

baat: te baat (nemen, komen)
baat: te eigen bate, ten eigen bate (GB: alleen te eigen bate)
baat: te mijnen/jouwen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen bate
baat: ten bate van
beantwoording: ter beantwoording
bedrag: ten bedrage van
been: ter been
begin: in den beginne
begin: van den beginne af
behoeve: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen behoeve
behoeve: ten behoeve van
bekostiging: ter bekostiging
bekwaam: te bekwamer tijd
belang: in (u/ons) beider/aller belang
beloop: ten belope van (= 'ten bedrage van')
berde: te berde brengen
berg: te berge rijzen
beschikking: te mijner/jouwer/uwer/harer/zijner/onzer/hunner beschikking
beschikking: ter beschikking (stellen)
besluit: ten besluite
best: ten beste
bestemd: te bestemder plaatse, ter bestemder plaatse (GB: alleen te bestemder plaatse)
bestemd: te bestemder tijd, ter bestemder tijd (GB: alleen te bestemder tijd)
beurs: ter beurze
beurt: te beurt vallen
beweging: eigener beweging
bewijs: ten bewijze (van)
bezichtigen: ter bezichtiging
biecht: te biecht gaan
blijk: ten blijke
blind: in den blinde
bloed: in koelen bloede
bloed: tot bloedens toe
bloed: van koninklijken bloede
boek: te boek (staan)
boos: uit den boze
boven: te boven
breed: in den brede
breed: ter breedte van
brood: om den brode
buiten: te buiten
bureel: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen burele
bureel: ten burele van

naar boven

C

communie: ter communie gaan (Van Dale: "bij katholieken" te communie gaan)
contemplatie: ter contemplatie van
controle: ter controle
controlering: ter controlering van
correctie: ter correctie van

naar boven

D

dag: aan de dag leggen, aan den dag leggen
dag: dag des Heren
dag: dezer dagen
dag: heden ten dage
dag: ten dage van
dag: ten eeuwigen dage
dag: ten huidigen dage
dag: voor de dag komen, voor den dag komen
dans: ten dans
deel: ten deel vallen
deel: ten dele
derde: ten derde
derde: ten derden male
deze: bij/in/na/namens/te/voor dezen
deze: te dezer plaatse
deze: te dezer/dier zake
die: in dier/dezer voege
die: met dien verstande
die: te dien aanzien/einde/opzichte
die: uit dien hoofde
die: van dien
die: van dien aard
dienst: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen dienste
dienst: ten dienste van, (iemand) ten dienste staan
doel: ten doel (stellen)
doen: in goeden doen
dom: zich van de domme houden, van den domme houden
dood: ten dode (opgeschreven)
dood: ter dood veroordelen, brengen
dood: uit den dode opstaan
doop: ten doop houden
duivel: des duivels
duur: op de lange duur
duur: op den duur, op de duur

naar boven

E

eed: onder ede
een: ter ener zijde, ter eenre zijde (GB: alleen ter eenre zijde)
eer: te mijner/jouwer/uwer/harer/zijner/onzer/hunner ere
eer: ter ere van
eer: ter meerdere eer en glorie
eerste: ten eerste
eeuwig: in der eeuwigheid
eeuwig: ten eeuwigen dage
eigen: ten eigen bate, te eigen bate (GB: alleen te eigen bate)
eind: te dien einde
eind: ten einde brengen
eind: ten einde raad
einde: ten einde toe
elf: te elfder ure, ter elfder ure (GB: alleen te elfder ure)
enenmale: ten enenmale
enig: te eniger tijd

naar boven

F

faam: te goeder naam en faam
faveur: ten faveure van
fine: ter fine, ten fine (van) (GB: alleen ter fine)

naar boven

G

gaan: te biecht gaan
gans: van ganser harte
gast: te gast
gebrek: in gebreke (stellen, blijven)
gedachtenis: te mijner/jouwer/uwer/harer/zijner/onzer/hunner gedachtenis
gedachtenis: ter gedachtenis van
geen: in genen dele
gehoor: ten gehore brengen
gek: van de gekke
geld: te gelde maken
gelegen: te gelegener tijd/plaats
gelegenheid: te dezer gelegenheid
gelegenheid: ter gelegenheid van
geleide: ten geleide
genoeg: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen genoegen
genoeg: ten genoegen van
gerief: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen gerieve
gerief: ten gerieve van
gerucht: bij geruchte (vernemen)
geschenk: ten geschenke (geven, krijgen)
geschrift: in geschrifte
getal: in groten getale
getal: ten getale van
geval: in allen gevalle (= 'wat er ook gebeurt')
gevolg: ten gevolge van
glorie: ter meerdere eer en glorie
goed: in goeden doen
goed: te goeder naam en faam
goed: te goeder trouw
goed: ten goede (komen)
goed: van goeden huize, wille
goedkeuring: ter goedkeuring
graf: ten grave (dragen)
grond: te gronde (gaan, richten)
grond: ten gronde (= juridische term, 'op de hoofdzaak')
grondslag: ten grondslag
grootte: ter grootte van
gunst: te mijnen/jouwen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen gunste
gunst: ten gunste van

naar boven

H

haar: haars inziens
haar: haars ondanks ('zonder dat ze het wilde')
haar: haars weegs
haar: te haren aanzien
haar: te haren bate
haar: te haren behoeve
haar: te haren dienste
haar: te haren genoegen
haar: te haren gerieve
haar: te haren gunste
haar: te haren huize
haar: te haren kantore
haar: te haren laste
haar: te haren nadele
haar: te haren voordele
haar: te harent, ten harent (GB: alleen te harent)
haar: te harer beschikking
haar: te harer ere
haar: te harer informatie
haar: te harer kennis
haar: te harer oriëntering
haar: te harer verontschuldiging
half: ten halve
hand: ter hand stellen
hart: ter harte
hart: van (ganser) harte
heden: heden ten dage
heel: ten hele
Heer: dag des Heren
heinde: van heinde en ver(re)
hel: ter helle (gaan, nederdalen, varen)
helft: bij helfte (verdelen)
herdenking: ter herdenking van
herinnering: ter herinnering aan
hier: hier te lande
hier: hier ter stede
hof: ten hove
hoofd: uit anderen/dien hoofde
hoofd: uit hoofde van
hoog: in den hoge
hoog: in hoge mate
hoog: ten hoogste
huidig: ten huidigen dage
huis: dochter/heer/vrouw/zoon des huizes
huis: te mijnen/jouwen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen huize
huis: ten huize van
huis: van aanzienlijken huize
huis: van adellijken huize
huis: van goeden huize
huis: van welgestelden huize
hulp: te hulp (komen, schieten)
hun: huns inziens
hun: huns ondanks ('zonder dat ze het wilden')
hun: huns weegs
hun: te hunnen aanzien
hun: te hunnen bate
hun: te hunnen behoeve
hun: te hunnen dienste
hun: te hunnen genoegen
hun: te hunnen gerieve
hun: te hunnen gunste
hun: te hunnen huize
hun: te hunnen kantore
hun: te hunnen laste
hun: te hunnen nadele
hun: te hunnen voordele
hun: te hunnent, ten hunnent (GB: alleen te hunnent)
hun: te hunner beschikking
hun: te hunner ere
hun: te hunner informatie
hun: te hunner kennis
hun: te hunner oriëntering
hun: te hunner verontschuldiging
huwelijk: ten huwelijk vragen

naar boven

I

informatie: te mijner/jouwer/uwer/harer/zijner/onzer/hunner informatie
inleiding: ter inleiding
inzien: mijns/jouws/uws/haars/zijns/onzes/huns inziens

naar boven

J

jouw: jouws ondanks ('zonder dat je het wilde')
jouw: jouwerzijds
juist: te juister tijd
juist: ter juister plaatse

naar boven

K

kantoor: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen kantore
kantoor: ten kantore van
katholiek: van katholieken huize
kennis: te mijner/uwer/harer/zijner/onzer/hunner kennis
kennis: ter kennis
kerk: ter kerke
keuze: ter keuze
klok: klokke twaalf
koel: in koelen bloede
koning: in naam des konings
koningin: in naam der koningin
koninklijk: van koninklijken bloede
kost: ten koste van
kust: te kust en te keur
kwaad: te kwader trouw
kwaad: ten kwade

naar boven

L

land: (hier) te lande
land: in den lande
last: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen laste
last: ten laste leggen
last: ten laste van
lering: ter lering en vermaak
lest: ten langen leste
lijf: aan den lijve
lijf: in levenden lijve
linkerzijde: ter linkerzijde
loop: in de loop der tijd, minder gewoon: in de loop des tijds
luid: met luider stem(me)

naar boven

M

maal: ten anderen/tweeden/derden male
maal: ten enenmale
macht: bij machte
mens: des mensen
midden: te midden van
mijn: mijns inziens
mijn: mijns ondanks ('zonder dat ik het wilde')
mijn: te mijnen aanzien
mijn: te mijnen bate
mijn: te mijnen behoeve
mijn: te mijnen dienste
mijn: te mijnen genoegen
mijn: te mijnen gerieve
mijn: te mijnen gunste
mijn: te mijnen huize
mijn: te mijnen kantore
mijn: te mijnen laste
mijn: te mijnen voordele
mijn: te mijnen nadele
mijn: te mijnent, ten mijnent (GB: alleen te mijnent)
mijn: te mijner beschikking, ere, informatie, kennis, oriëntering, verontschuldiging
min: in der minne schikken
moed: te moede
moede: in arren moede
mond: bij monde van

naar boven

N

naam: (u/ons) aller/beider naam
naam: in naam der koningin
naam: in naam der wet
naam: in naam des konings
naam: met name
naam: te goeder naam en faam
naam: ten name van
naast: ten naaste bij
nadeel: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen nadele
nadeel: ten nadele van
nagedachtenis: ter nagedachtenis van
natuur: van nature
nauw: ten nauwste
nood: van node
noorden: ten noorden van
nul: van nul en generlei waarde
nut: ten algemenen nutte
nut: ten nutte van

naar boven

O

offer: ten offer (brengen, vallen)
onder: onder ede
onder: ten onder gaan
onheil: plek/plaats des onheils
onpas: te pas en te onpas
onrecht: ten onrechte
ons: ons aller aanwezigheid/belang/naam/vriend
ons: ons beider aanwezigheid/belang/naam/vriend
ons: onzes inziens
ons: te onzen aanzien
ons: te onzen bate
ons: te onzen behoeve
ons: te onzen dienste
ons: te onzen genoegen
ons: te onzen gerieve
ons: te onzen gunste
ons: te onzen huize
ons: te onzen kantore
ons: te onzen laste
ons: te onzen nadele
ons: te onzen voordele
ons: te onzer beschikking
ons: te onzer ere
ons: te onzer informatie
ons: te onzer kennis
ons: te onzer oriëntering
ons: te onzer verontschuldiging
ons: ten onzent, te onzent (GB: alleen te onzent)
onverricht: onverrichter zake terugkeren
oor: ter ore (komen)
oosten: ten oosten van
opzicht: ten opzichte van
oriëntering: te mijner/uwer/harer/zijner/onzer/hunner oriëntering
overstaan: ten overstaan van
overvloed: ten overvloede
overweging: ter overweging

naar boven

P

paleis: ten paleize
pas: te pas en te onpas
pers: ter perse
plaats: de plaats des onheils
plaats: te bestemder plaatse, ter bestemder plaatse (GB: alleen te bestemder plaatse)
plaats: te gelegener plaats
plaats: ter plaatse
plek: plek des onheils
plek: ter plekke
prooi: ten prooi (aan)

naar boven

R

raad: met voorbedachten rade
raad: te rade gaan
raad: ten einde raad
recht: in/buiten rechte
recht: ten rechte
rechter: te rechter tijd
rechterzijde: ter rechterzijde
rust: te ruste, ter ruste (leggen)

naar boven

S

schande: te schande
schrijver: schrijver dezes
spijt: ten spijt (van)
spoedig: ten spoedigste
sprake: ter sprake
staand: op staande voet
stad: te stade (komen) (GB: ook te sta)
stede: hier ter stede
stede: in stede van
steen: steen des aanstoots
stellig: ten stelligste
stem: stem des volks
streng: ten strengste
strijd: ten strijde (trekken)

naar boven

T

tafel: ter tafel (brengen)
teken: ten teken
tenlastelegging: tenlastelegging, te lastlegging
terzelfdertijd: terzelfdertijd, tezelfdertijd (GB: terzelfder tijd, tezelfdertijd)
tijd: bij tijd en wijle
tijd: de tand des tijds
tijd: in de loop der tijd, minder gewoon: in de loop des tijds
tijd: te allen tijde
tijd: te bekwamer/eniger/juister/gelegener/rechter/zijner tijd
tijd: te bestemder tijd, ter bestemder tijd (GB: alleen te bestemder tijd)
tijd: ten tijde van
tijd: toentertijd
toneel: ten tonele
trouw: te goeder/kwader trouw
twee: ten tweede
twee: ten tweeden male (GB: ten tweede male)

naar boven

U

u: u aller/beider aanwezigheid/belang/naam/vriend
uit: uit anderen hoofde
uit: uit den boze
uit: uit hoofde van
uitvoer: ten uitvoer
uur: te elfder ure, ter elfder ure (GB: alleen te elfder ure)
uw: te uwen aanzien
uw: te uwen bate
uw: te uwen behoeve
uw: te uwen dienste
uw: te uwen genoegen
uw: te uwen gunste
uw: te uwen huize
uw: te uwen kantore
uw: te uwen laste
uw: te uwen nadele
uw: te uwen voordele
uw: te uwent/ten uwent (GB: alleen te uwent)
uw: te uwer attentie
uw: te uwer beschikking
uw: te uwer ere
uw: te uwer informatie
uw: te uwer kennis
uw: te uwer oriëntering
uw: te uwer verontschuldiging
uw: uws inziens

naar boven

V

vader: vader des vaderlands
val: ten val brengen
veel: op veler verzoek
veld: te velde
verdediging: ter verdediging
verdeling: ter verdeling van
vergadering: ter vergadering
verkoop: ten verkoop
verontschuldiging: te mijner/jouwer/uwer/harer/zijner/onzer/hunner verontschuldiging
verontschuldiging: ter verontschuldiging
verscherping: ter verscherping
verstand: met dien verstande
vervelen: tot vervelens toe
vervoer: ten vervoer
vervolg: in den vervolge
vervolg: ten vervolge (op)
voege: in dier/dezer voege
voet: ten voeten uit
vol: ten volle
voldoening: ter voldoening van
voorbedacht: met voorbedachten rade
voorbeeld: ten voorbeeld
voordeel: te mijnen/uwen/haren/zijnen/onzen/hunnen voordele
voordeel: ten voordele van
voorkoming: ter voorkoming van
vreemd: in den vreemde
vrees: met grote vreze
vriend: (u/ons) beider/aller vriend

naar boven

W

waarborg: ten waarborg stellen
waarde: ter waarde van
waarde: van nul en generlei waarde
welgesteld: van welgestelden huize
wereld: 's werelds
wereld: ter wereld
westen: ten westen van
wet: in naam der wet
wijl: bij tijd en wijle
wil: ter wille van
wil: van goeden wille
wil: willens en wetens

naar boven

Z

zaak: onverrichter zake terugkeren
zaak: ter zake (van)
zeer: ten zeerste
zelfde: ter zelfder plaatse
ziel: ter ziele
zijde: ter andere zijde
zijde: ter ener zijde, ter eenre zijde (GB: alleen ter eenre zijde)
zijn: te zijnen aanzien
zijn: te zijnen bate
zijn: te zijnen behoeve
zijn: te zijnen dienste
zijn: te zijnen genoegen
zijn: te zijnen gerieve
zijn: te zijnen gunste
zijn: te zijnen huize
zijn: te zijnen kantore
zijn: te zijnen laste
zijn: te zijnen nadele
zijn: te zijnen voordele
zijn: te zijnent, ten zijnent (GB: alleen te zijnent)
zijn: te zijner beschikking
zijn: te zijner ere
zijn: te zijner informatie
zijn: te zijner kennis
zijn: te zijner oriëntering
zijn: te zijner verontschuldiging
zijn: te zijner tijd
zijn: zijns ondanks ('zonder dat hij het wilde')
zijn: zijns inziens
zijn: zijns weegs
zin: van zins
zitting: ter zitting
zoenoffer: ten zoenoffer brengen
zot: van de zotte
zuiden: ten zuiden van
zweet: in het zweet des/mijns/haars/zijns/uws/onzes/huns aanschijns

naar boven

Verwante adviezen

Trefwoorden

terug
voorjaarsbanner

banner ITV

taalkalender