Steeds meer taalvragen die Onze Taal krijgt, gaan over de buigings-e: de e die soms wel en soms niet achter een bijvoeglijk naamwoord staat. Is het een Frans dichter of een Franse dichter? Een moedig man of een moedige man? Het economisch klimaat of het economische klimaat?

Vragen over dit onderwerp worden meerdere malen per week gesteld aan de taaladviseurs van Onze Taal: telefonisch, per mail en via sociale media. En elk jaar worden het er meer. Er zijn wel regels voor, maar er zijn ook veel uitzonderingen – én het is voor een deel een kwestie van smaak; daardoor lijken veel mensen niet meer goed te weten wat ze moeten schrijven. Ook NT2-docenten stellen er vaak vragen over, omdat hun leerlingen ermee worstelen.

Op onze website is ondertussen al enkele jaren een andere kwestie onverminderd populair: de vraag wanneer je hen gebruikt en wanneer hun. Is het ‘Het doet hen/hun plezier’, ‘We willen hen/hun graag helpen’, ‘Dit zit hen/hun dwars’, enz.? De hen/hun-pagina was ook in 2018 de meestbezochte pagina op onze website. Ook de uitleg over d’s en t’s, over zijn/haar en over die/dat wordt vaak opgevraagd. De volledige top-tien staat onderaan dit bericht. 

Dit blijkt uit tellingen die Onze Taal bijhoudt en uit een analyse van de bezoekersgegevens van de website. Via mail, telefoon en sociale media kwamen er afgelopen jaar 7300 vragen binnen van taalgebruikers die een persoonlijk antwoord op hun vraag wensten. De website, die ruim 2000 pagina’s met taaladvies bevat, is het afgelopen jaar 19 miljoen keer bezocht en is daarmee de grootste taaladviessite in het Nederlandse taalgebied.

De top-tien van populairste adviezen op onze website:

  1. Wanneer is hun juist en wanneer hen?
  2. Wat betekent de zin ‘Acquisitie wordt niet op prijs gesteld’? 
  3. Wanneer is het gebeurd en wanneer gebeurt?
  4. Hoe weet je of een woord mannelijk of vrouwelijk is?
  5. Waar komen de spaties in ‘We gaan er( )van( )uit dat het zal lukken’?
  6. Wanneer is houd juist en wanneer houdt? En hoe zit het met hou?
  7. Wanneer schrijf je beide en wanneer beiden?
  8. Wanneer moet je een komma gebruiken?
  9. Is het je wil of je wilt?
  10. Wat is het verschil tussen een pleonasme en een tautologie?