Print deze pagina

Gebeuren: gebeurt / gebeurd

Wat is juist: 'Bekijk de plaatjes en beschrijf wat er gebeurd' of 'Bekijk de plaatjes en beschrijf wat er gebeurt'?

Juist is: 'Bekijk de plaatjes en beschrijf wat er gebeurt.' Gebeurt is hier een persoonsvorm; wat is het onderwerp. Daarom wordt aan de stam gebeur een t toegevoegd. Andere voorbeelden:

  • Er gebeurt hier altijd wat.
  • Wat gebeurt er met de overgebleven taart?
  • Als je niet uitkijkt, gebeurt er nog een ongeluk.
  • Het maakt me niet uit wanneer je het doet, als het maar gebeurt.
  • Wat er ook gebeurt: ik blijf bij je.
  • Wat gebeurt er als ik op ctrl-alt-del druk?
  • Het gebeurt veel te vaak dat je te laat komt.
  • De ingreep gebeurt onder lokale verdoving.

Gebeurd is het voltooid deelwoord van gebeuren: het is gebeurd, het was gebeurd of het zou gebeurd zijn. Als gebeurd in de zin juist is, is er vrijwel altijd een ander werkwoord in de zin dat de persoonsvorm is. Voorbeelden:

  • Bekijk de plaatjes en beschrijf wat er gebeurd kan zijn. (Kan is de persoonsvorm.)
  • Wat is er gebeurd? (Is is de persoonsvorm.)
  • Het is nu eenmaal gebeurd. (Is is de persoonsvorm.)
  • Het ongeluk zou al een uur geleden gebeurd zijn. (Zou is de persoonsvorm.)
  • Wat zou er toch gebeurd zijn met die vermiste hond? (Zou is de persoonsvorm.)
  • Gebeurd is gebeurd. (Een verkorting van 'Wat gebeurd is, is gebeurd'; is is hierin de persoonsvorm. Vergelijk: 'Gedaan is gedaan': dezelfde constructie (aan te vullen tot 'Wat gedaan is, is gedaan'), en dus ook met twee voltooide deelwoorden)

Dat het voltooid deelwoord gebeurd op een -d eindigt, is te horen aan de verleden tijd gebeurde ('Er gebeurde van alles'). De d die hierin te horen is, komt terug in het voltooid deelwoord.

De twijfel over gebeurd/gebeurt wordt natuurlijk veroorzaakt doordat het verschil tussen de tegenwoordige tijd en het voltooid deelwoord niet te horen is. Er zijn meer van deze bedrieglijke werkwoorden. Hieronder staan enkele voorbeeldzinnen met dit soort werkwoorden.

  • De directie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor zoekgeraakte of beschadigde spullen. (Aanvaardt is de persoonsvorm.)
  • Liesbeth heeft zijn excuses aanvaard. (Heeft is de persoonsvorm.)
  • U kunt blijven zolang het u behaagt. (Behaagt is de persoonsvorm.)
  • Het heeft de koning behaagd ... (Heeft is de persoonsvorm.)
  • De Taaladviesdienst behandelt vragen over taal. (Behandelt is de persoonsvorm.)
  • Ik word behandeld door dokter Jansen. (Word is de persoonsvorm.)
  • Elly beheert de kleine kas. (Beheert is de persoonsvorm.)
  • De kleine kas wordt beheerd door Elly. (Wordt is de persoonsvorm.)
  • Verdachte bekent: ik zat achter het stuur. (Bekent is de persoonsvorm.)
  • Ze hebben bekend, terwijl ze het niet gedaan hadden. (Hebben is de persoonsvorm.)
  • Dat belooft wat! Ze belooft beterschap! (Belooft is de persoonsvorm.)
  • Bert heeft beloofd voor ons te koken. (Heeft is de persoonsvorm.) 
  • Wat bedoelt zij met 'emotionele intelligentie'? (Bedoelt is de persoonsvorm.)
  • Wat wordt bedoeld met 'emotionele intelligentie'? (Wordt is de persoonsvorm.)
  • Fieke bestelt al haar kleding via internet. (Bestelt is de persoonsvorm.)
  • Als u eenmaal hebt besteld, hebt u de spullen morgen in huis. (Hebt is de persoonsvorm.)
  • Ron verandert ook nooit. (Verandert is de persoonsvorm.)
  • Ron zegt dat hij veranderd is. (Is is de persoonsvorm.)
  • De situatie verbetert met de dag. (Verbetert is de persoonsvorm.)
  • De situatie is sterk verbeterd. (Is is de persoonsvorm.)
  • Met een spaarlamp bespaart u energie. (Bespaart is de persoonsvorm.)
  • Er wordt steeds meer energie bespaard. (Wordt is de persoonsvorm.)
  • Dat vermeldt de historie niet. (Vermeldt is de persoonsvorm.)
  • Hier staat vermeld dat de kortingsactie is afgelopen. (Staat is de persoonsvorm.)
  • Zij beweert dat we allemaal een bonus krijgen. (Beweert is de persoonsvorm.)
  • Zij heeft dat wel beweerd, maar het is niet waar. (Heeft is de persoonsvorm.)
  • In die film speelt hij een bankemployé die miljoenen verduistert. (Verduistert is de persoonsvorm.)
  • De boekhouder heeft een fikse som geld verduisterd. (Heeft is de persoonsvorm.)
  • Het antieke kastje verkeert in goede staat. (Verkeert is de persoonsvorm.)
  • Het kastje heeft altijd in goede staat verkeerd. (Heeft is de persoonsvorm.)
  • De minister verklaart dat er meer geld nodig is. (Verklaart is de persoonsvorm.)
  • De minister heeft verklaard dat ze slechts een proefballonnetje wilde oplaten. (Heeft is de persoonsvorm.)
  • Wie vertelt er hier de waarheid? (Vertelt is de persoonsvorm.)
  • Heb je de waarheid verteld? (Heb is de persoonsvorm.)
  • Alle dagen pindakaas op brood verveelt al snel. (Verveelt is de persoonsvorm.)
  • Zelden heb ik me zo verveeld als in dat vijfsterrenresort. (Heb is de persoonsvorm.)
  • Zij verzorgt haar planten heel goed. (Verzorgt is de persoonsvorm.)
  • In de vakantie heeft de buurvrouw onze planten verzorgd. (Heeft is de persoonsvorm.)

Verwante adviezen

Trefwoorden

terug
voorjaarsbanner

banner ITV

taalkalender