Page 19 - OnzeTaal_okt2019_HR
P. 19
Komt dat voort uit uw achtergrond? U bent begonnen
als illustrator en grafisch vormgever.
“Ik heb geleerd hoe je een boek in elkaar zet. Dat doe ik
tegenwoordig met het computerprogramma InDesign.
Vroeger moest ik alles knippen en plakken. Op de com-
puter heb je veel meer mogelijkheden. Zo kun je spelen
Ted van Lieshout met vormen en met de indeling. De combinatie van
beeld en tekst is voor mij van meet af aan belangrijk
Sinds zijn debuut viel Ted van Lieshout (Eind- geweest.”
hoven, 1955) geregeld in de prijzen. Begin “Bij het maken van een boek zijn verschillende vaklui
deze maand ontvangt hij de Boekensleutel, betrokken: de schrijver, de tekenaar of illustrator, en
een zelden toegekende prijs voor een bijzon- de vormgever. Die drie doen elk hun eigen werk, maar
der jeugdboek: Ze gaan er met je neus vandoor overleggen niet. Een vormgever kan ook niet zomaar een
(2018, uitgeverij Leopold). Het werk van Van
Lieshout is hoogst origineel en eigenzinnig.
Grenzen vervagen tussen beeld en tekst, tus-
sen proza en poëzie. En ook tussen traditione- “Ik wil niet met mooischrijverij
le doelgroepen: kinderen en volwassenen.
Van Lieshout maakte al meer dan tachtig iets interessant maken wat van
boeken. Ook schreef hij scenario’s, liedjes en
cabaretteksten. Hij publiceerde een paar auto- zichzelf niet interessant is.”
biografische romans voor (min of meer) vol-
wassenen: Gebr. (1996), over de dood van een
broer, Mijn meneer (2014) en Schuldig kind
(2017). Die laatste twee gaan over het vriend- stuk tekst van de schrijver schrappen. Omdat ik zelf de
schappelijke en uiteindelijk ook seksuele con- schrijver, illustrator én vormgever ben, kan ik voortdu-
tact tussen een jongen van 11 en een volwas- rend met mezelf overleggen over tekst, beeld en vorm.”
sen man.
Ted van Lieshout breekt een lans voor RUIS
jeugdliteratuur: “Boeken voor kinderen wor- Traditionele grenzen lijken in uw werk te vervagen,
den nog vaak gezien als inferieure literatuur. ook die tussen proza en poëzie.
Volkomen ten onrechte. Er is een toplaag van “Ze gaan er met je neus vandoor zie ik als poëzieproject.
kinderboeken waarin volop te genieten valt: Bij poëzie staat in mijn ogen niet per se de boodschap
van taal en diepere lagen in een verhaal.” voorop, maar het spel met taal. Dit boek bevat ook veel
gedichten. Die zijn wel heel anders dan mijn vroegere
werk. Mijn eerste gedichten waren ingedikt: met weinig
woorden veel zeggen. Tegenwoordig zijn mijn teksten
meer ‘parlando’, op spreektoon. Ik schrijf een vrij korte
tekst in dichtvorm waarbij de lezer niet hoeft te zoeken
naar wat het precies betekent, maar meteen wel de sfeer
proeft. Dat is bijvoorbeeld ook zo in Onder mijn matras de
erwt (2017). Dat bestaat uit gedichten waarin een meisje
van veertien parlando over dagelijkse dingen vertelt.
Foto: Rosanne van de Poll Mij gaat het om het oproepen van haar stemming. Ze is
recalcitrant, zoals veel pubers.”
Vaak praten uw personages tegen iemand aan, bijvoor-
beeld tegen een dichter, een moeder, een dode broer.
Of ze voeren een dialoog, bijvoorbeeld met een oudere
‘ik’. Vanwaar die aanpak?
“Dat is mijn manier om ruis te vermijden. Er zijn schrij-
sant maken met zo’n ‘gimmick’? Ik heb wel tien ver- vers die er drie bladzijden over doen om iemand een sok
schillende versies gemaakt. Het bleek steeds dat het aan te laten trekken. Daar kan ik helemaal niet tegen. Ik
melig werd of een trucje bleef. Ik moest een goede ver- wil niet met mooischrijverij iets interessant maken wat
haallijn hebben. Uiteindelijk heb ik gekozen voor de van zichzelf niet interessant is. Door mijn vroegere werk
verliefde dichter.” als scenarioschrijver voor onder andere Sesamstraat en
U gaat dus uit van de vorm en daarna komt het verhaal Het Klokhuis heb ik die voorkeur voor dialogen ontwik-
waarin de vorm een belangrijke rol speelt. keld. Een dialoog is direct.”
“Ja, in veel van mijn werk is het boek zelf ook echt een Er zijn ook lezers die genieten van stilistische hoog-
object. Bij ‘normale’ schrijvers is het fysieke boek alleen standjes.
de drager van data. Het verhaal staat voorop. Welke “Zo’n lezer ben ik niet. Ik ken auteurs die prachtig
vorm de drager heeft – papier, een scherm, een schijfje schrijven, zoals Bart Moeyaert, maar het lukt mij niet ONZE TAAL 2019 — 10
– doet er niet zoveel toe. Een boek van mijn hand is om hun boeken uit te lezen, omdat ik steeds struikel
méér dan alleen de drager. Het is geen plat ding, het over de schoonheid van hun taal. Daarom schrijf ik zelf
wordt driedimensionaal en het moet als het ware drie- niet zo. Ik ben spaarzaam met beeldspraak.”
dimensionaal worden gelezen. Het is niet zo dat de let- “Ik heb wel moeite moeten doen om de manier van
ters uit het papier oprijzen, maar dat probeer ik wél te schrijven te vinden die bij mij past. Ik wilde vroeger
suggereren. Ik beschouw het boek eigenlijk als een soort schrijven voor volwassenen. Dat lukte niet. Ik had een
beeldhouwwerk.” hang naar formeel taalgebruik met woorden als desal- 19

