Page 8 - OnzeTaal_juni2020_HR
P. 8

In de negentiende eeuw bestond er niet zoiets als
            hét Amsterdams. Alleen al binnen de grachtengordel
            waren er volgens sommige taalkundigen maar liefst
            negentien verschillende dialecten te horen. Welke?
            En waar kwamen die vandaan?



            NICOLINE VAN DER SIJS

            Paol, son, loisig







                         De vele soorten Amsterdams in de negentiende eeuw





                 n 1775 werd het taalgebruik van de bewoners van   oude Mokum. Toch waren latere taalkundigen sceptisch.
                 de Amsterdamse Haarlemmerdijk gekenschetst   Zo noemde Jac. van Ginneken de indeling in 1931 “dwaas-
                 door de zinnetjes ‘Men moet de maiden meiden’   heid” van een “peuteraar”. Had hij gelijk? Vroeger kon
            I (‘Men moet de meiden mijden’) en ‘Slee de heek   dat niet worden gecontroleerd, maar de moderne com-
            in de peel en heel neeje.’ In de mond van een bewoner   putermiddelen bieden nieuwe kansen.
            van een andere wijk, Kattenburg, klonk het zinnetje
            weer anders – en voor ons nu veel duidelijker: ‘Sla de   VEEMARBEIDERS
            haak in de paal en haal naa[r] je.’ Haarlemmerdijkers   Om te bekijken welke taalverschijnselen kenmerkend
            spraken de lange a dus uit als ‘ee’ en ei als ‘ai’. In 1885   zijn voor welke wijken, hebben we alle bronnen over het
            leidde de Amsterdamse ‘afgebeten’, korte uitspraak van   Amsterdamse dialect tussen 1700 en 1950 doorgevlooid.
            de korte a voor een medeklinker tot het vrolijke rijmpje   De 56 bronnen noemen maar liefst 9000 taalverschijn-
            (de cursieve dubbele medeklinkers geven de kortheid   selen: vooral bijzondere woorden, maar ook uitspraak-
            aan):                                            kenmerken. Van die 9000 verschijnselen konden er 4100
                                                             worden gekoppeld aan een wijk. Maar wat blijkt? De
               De heere vann de statt                        taalverschijnselen zijn tot slechts vijf van de negentien
               Die hebbe altyd watt,                         wijken te herleiden, namelijk de Jordaan, de Jodenhoek,
               Ze hebbe uitgefonde                           de Kalverstraat, Kattenburg en de Haarlemmerdijk. Van
               Belassting op de honde                        acht wijken worden überhaupt geen concrete taalver-
                                                             schijnselen genoemd, ook niet door Winkler, en van zes
            Uit de eerste helft van de twintigste eeuw dateren het   wijken is Winkler de enige bron.
            spotzinnetje ‘Jen, d’r sit een kèt op ’t dek’ (‘Jan, er zit      Daar staat tegenover dat de opsomming van Winkler
            een kat op het dak’) en het grapje over een Amsterdam-  incompleet blijkt te zijn. Zo noemt hij niet de taal van de
            se leerling-machinist die bij een examen op de vraag   hogere standen, die volgens andere bronnen werd ge-
            ‘Wat zijn armseinen?’ geantwoord zou hebben: “Arm-  sproken langs de Herengracht en de Keizersgracht, waar
            saane saane saane, daar ze mee saane als de andere   toen ook al de rijke upperclass woonde. Hun taalvariëteit
            saane kepot saane” (‘Armseinen zijn seinen, waar ze   werd gekenmerkt door een groot aantal Franse leen-
            mee seinen als de andere seinen kapot zijn’).    woorden als à propos, dineren, fêteren en pantalon. Ken-
                                                             merkend voor de hogere standen was ook dat zij de s en
            PEUTERAAR                                        de z niet door elkaar haalden.
            Uit de voorbeelden blijkt dat de opvattingen over welke      Evenmin noemt Winkler twee wijkgebonden vak-
            klanken typerend zijn voor het Amsterdams in de loop   talen: de taal van de veemarbeiders of sjouwers in de
            van de tijd zijn veranderd – zo klonk de korte a eerst af-
            gebeten en later als ‘è’ – maar ook dat er verschillen be-
            stonden tussen Amsterdamse wijken als Kattenburg en   Het verrassendst is de
            de Haarlemmerdijk. Volgens Johan Winkler, die in 1874   overeenkomst tussen het
      ONZE TAAL 2020  —  6  ten opnam, waren er in de Amsterdamse wijken maar   Amsterdamse haven, en de diamantslijperstaal die
            in zijn Algemeen Nederduitsch en Friesch dialecticon een
            groot aantal tekstvoorbeelden van Nederlandse dialec-
                                                                  Jordaans en het Brabants.
            liefst negentien verschillende ‘tongvallen’ te horen. Wel
            voegde hij daaraan toe dat de meeste ervan al in zijn tijd
            erg in verval waren. Op de kaart hiernaast zijn achttien
            van de negentien dialecten te zien; het ‘Vismarkts’
                                                             Weesperplein. Ook het Bargoens, de geheimtaal van
            ontbreekt, omdat dat een inmiddels verdwenen markt
                                                             zwervers, bedelaars en dieven, blijft bij hem onvermeld,
            betrof uit de tijd van Bredero (1585-1618).      werd gesproken door (Joodse) diamantslijpers rond het
               Deze indeling in negentien tongvallen wordt veelvul-  maar deze variëteit was per definitie niet gebonden aan
    8       dig aangehaald als bewijs van de grote taalvariatie in het   een bepaalde locatie.
   3   4   5   6   7   8   9   10   11   12   13