Wat is juist: erlangs of er langs?
Je schrijf erlangs meestal aan elkaar. Bijvoorbeeld: ‘We lopen erlangs’, ‘Ik kom erlangs onderweg naar het station’ en ‘De toeschouwers kijken erlangs.’
Na het voorzetsel langs staat meestal een zelfstandig naamwoord, zoals de rij of het huis.
- We zijn langs de rij gelopen.
- Ik kom langs de supermarkt onderweg naar het station.
- De optocht liep vlak langs zijn huis.
Je kunt datzelfde langs ook combineren met er. De woorden er en langs schrijf je dan aan elkaar. Erlangs betekent hier bijvoorbeeld ‘langs de rij’, ‘langs de supermarkt’ of ‘langs zijn huis’.
- We zijn erlangs gelopen.
- Ik kom erlangs onderweg naar het station.
- De optocht liep erlangs.
Erlangs, hierlangs, daarlangs, waarlangs
Wat voor er + langs geldt, geldt ook voor hier + langs, daar + langs en waar + langs. Je schrijft dus hierlangs, daarlangs en waarlangs als één woord in zinnen als deze:
- Voor de goede route moeten we hierlangs.
- Is daarlangs de weg naar het stadhuis?
- Dit is het pad waarlangs ik vroeger zo vaak heb gelopen.
Op het tabblad ‘Achtergrond’ vind je meer uitleg over over er, hier, daar en waar in combinatie met voorzetsels.
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!
Er zijn veel combinaties denkbaar met voorzetsels, zoals voor, van, aan, naar, op, enzovoort. Na het voorzetsel staat vaak een zelfstandig naamwoord, een persoonlijk voornaamwoord of een naam (of een woordgroep met zo’n woord als kern):
- Zij houdt van kerstliedjes.
- Ik zorg voor jou.
- We kijken naar Netflix.
- We moeten denken aan voldoende eten voor onderweg.
In plaats van zo’n woord(groep) kan er ook er, daar, hier of waar bij het voorzetsel staan. Als er/daar/hier/waar direct voor het voorzetsel staat in de zin, schrijf je die woorden aan elkaar:
- Zij houdt daarvan.
- Ik zorg hiervoor.
- Waarnaar kijken we?
- We moeten eraan denken.
Erlangs = ‘langs het (ding)’, ‘langs de dingen’
Zo’n woord als eraan betekent eigenlijk ‘aan het’ of ‘aan iets (wat net genoemd is)’. Evenzo betekent daarvan eigenlijk ‘van dat, van die dingen’. Hiervoor is te lezen als ‘voor dit, voor deze dingen’, en waarnaar betekent eigenlijk ‘naar wat, naar welke dingen’.
De combinatie van er en een voorzetsel verwijst dan ook vaak naar iets wat eerder in de zin of in de vorige zin genoemd is. Het gebruik van zo’n combinatie voorkomt dat je een woordgroep moet herhalen. Voorbeelden:
- Denk jij aan mijn planten in de vakantie? Ja hoor, ik denk eraan.
[eraan = aan de planten] - We eten blijkbaar zuurkool morgen. Houd jij daarvan?
[daarvan = van zuurkool] - Je hoeft zelf geen lunch mee te nemen: hiervoor wordt gezorgd.
[hiervoor = voor een lunch]
Combinaties als eraan, ervan en ervoor kunnen ook verwijzen naar iets wat verderop in de zin staat. Dat is dan vaak een bijzin die met dat of om begint. Voorbeelden:
- Zul je eraan denken dat je de planten water geeft?
- Zij houdt ervan om mensen voor de gek te houden.
- Wil jij ervoor zorgen dat mijn planten water krijgen?
Let op
Soms staan er/daar/hier/waar en een voorzetsel wel na elkaar in de zin, maar horen ze toch niet bij elkaar. Het voorzetsel kan namelijk ook een zinsdeel vormen met een woord of woordgroep erachter. Zoals hier:
- Ze had er voor niks zitten wachten.
[er duidt een plaats aan; voor hoort bij (voor) niks, niet bij er] - Ik ben er voor de zoveelste keer in getrapt.
[voor hoort bij (voor) de zoveelste keer, niet bij er] - Je kunt op me rekenen; ik ben er voor jou.
[voor hoort bij (voor) jou, niet bij er] - Ze had daar van acht tot tien op hem zitten wachten.
[daar duidt een plaats aan; van hoort bij (van) acht tot tien, niet bij daar] - De dieren komen hier in elk geval tot rust.
[hier duidt een plaats aan; in hoort bij (in) elk geval, niet bij hier] - Onze buren hebben een garage waar tegen betaling caravans worden gestald.
[waar duidt een plaats aan; tegen hoort bij betaling]
In deze zinnen verwijst er/daar/hier naar iets anders, bijvoorbeeld naar een plaats; in elk geval heeft het een andere functie dan in de eerdere zinnen op deze pagina. In zulke gevallen schrijf je er en het voorzetsel los van elkaar.
Online training
Vind je dit lastig? Volg dan onze online training Los of vast: ‘er’, voorzetsels en werkwoorden. Met behulp van video’s, stappenplannen en opdrachten heb je de regels binnen de kortste keren onder de knie.