Wat is juist: ‘Dan word je zeker kampioen’ of ‘Dan wordt je zeker kampioen’?

Juist is: ‘Dan word je zeker kampioen.’

Als je het onderwerp van de zin is, en achter de persoonsvorm staat, komt er geen t achter de persoonsvorm. Bij een werkwoord als blijven is direct te horen wanneer de achterwege blijft: ‘Dan blijf je zeker kampioen.’

Bij worden is het verschil tussen wordt en word niet te horen. In zo’n geval is het handig om een ander werkwoord in de zin te zetten, waarbij de eventuele wél te horen is.

  • ‘Dan blijf je zeker kampioen.’ 
    Blijf is zonder t, dus is het ook: ‘Dan word je zeker kampioen.’
  • ‘Dat blijft je vast wel duidelijk.’ 
    Blijft is met t, dus is het ook: ‘Dat wordt je vast wel duidelijk.’
  • Blijft je moeder directeur?’ 
    Blijft is met t, dus is het ook: ‘Wordt je moeder directeur?’

Je kan alleen onderwerp zijn als het te vervangen is door jij. Als je niet vervangen kan worden door jij, maar bijvoorbeeld door jou of jouw, is een ander woord het onderwerp van de zin. Bijvoorbeeld:

  • ‘Dan word je zeker kampioen’ - ‘Dan word jij zeker kampioen.’
  • Wordt je moeder volgend jaar directeur?’ In deze zin is je een verkorte vorm van het bezittelijk voornaamwoord jouw; het onderwerp van de zin is jouw moeder. Daar hoort wordt bij.
  • ‘Dat wordt je vast wel duidelijk.’ Hier is je alleen vervangbaar door jou: ‘Dat wordt jou vast wel duidelijk’; dat is het onderwerp en daarom is wordt juist.