Wat is een werkwoordelijke uitdrukking?

Een werkwoordelijke uitdrukking is een vaste combinatie van een werkwoord en een of meer andere woorden. Het belangrijkste kenmerk van deze combinatie is dat je die in z’n geheel figuurlijk moet opvatten. Een voorbeeld is het hazepad kiezen. Dat betekent: ‘er snel vandoor gaan, vluchten’. Het gaat hier niet om een echt pad van een haas én er is ook geen sprake van letterlijk ‘kiezen’. Het geheel heeft alleen een figuurlijke betekenis. Je kunt de uitdrukking bovendien niet veranderen. Zo kun je niet spreken van een smal hazepad kiezen of allemaal onze eigen hazepaden kiezen

Binnen werkwoordelijke uitdrukkingen benoem je geen zinsdelen. Daarom benoem je hebben het hazepad gekozen in z’n geheel als het (werkwoordelijk) gezegde van de zin ‘Ze hebben het hazepad gekozen.’ Dat is anders in een zin als ‘We kozen het smalste bergpad.’ Nu kun je ‘gewoon’ kozen als de persoonsvorm benoemen en het smalste bergpad als het lijdend voorwerp.

Er zijn ook twijfelgevallen. In bijvoorbeeld in je vuistje lachen is weliswaar sprake van een uitdrukking, maar er wordt toch wel écht gelachen. Daarom ligt het meer voor de hand in je vuistje lachen te ontleden als een bijwoordelijke bepaling (in je vuistje) met een werkwoord (lachen), en niet als werkwoordelijke uitdrukking. 

Meer voorbeelden van werkwoordelijke uitdrukkingen: 

  • de benen nemen (ervandoor gaan)
  • een blauwtje lopen (afgewezen worden door iemand op wie je verliefd bent)
  • een bok schieten (een flater slaan, een grote fout maken)
  • bot vangen (iets proberen, maar niet slagen)
  • de broek aanhebben (thuis de baas zijn)
  • een broertje dood aan iets/iemand hebben (een grote hekel aan iets/iemand hebben)
  • ze bruin bakken (erg overdrijven)
  • uit zijn dak/bol gaan (superenthousiast zijn) 
  • met de deur in huis vallen (meteen beginnen met datgene waar het om gaat)
  • de draak steken met iets/iemand (met iets/iemand spotten)
  • een flater slaan (een blunder begaan)
  • de geest geven (sterven)
  • iemand met gelijke munt (terug)betalen (iemand net zo vervelend behandelen als hij jou behandeld heeft)
  • met iets aan de haal gaan (er met iets vandoor gaan)
  • de hand in eigen boezem steken (erkennen dat je ergens schuld aan hebt)
  • de handdoek in de ring gooien (opgeven)
  • iemand een hart onder de riem steken (iemand bemoedigen)
  • het hazepad kiezen (ervandoor gaan, vluchten)
  • de hond in de pot vinden (merken dat het eten thuis op is terwijl jij nog niets hebt gegeten)
  • het hoofd verliezen (helemaal in de war raken)
  • door het ijs zakken (falen (terwijl de verwachtingen hoog waren))
  • zich de kaas niet van het brood laten eten (je niet laten afpakken waar je recht op hebt)
  • iemand op de kast jagen (iemand boos maken)
  • iemand de kastanjes uit het vuur laten halen (een ander het risicovolle werk laten doen)
  • van een koude kermis thuiskomen (teleurgesteld worden terwijl je de hoop had iets te krijgen)
  • de kluts kwijtraken (in de war raken)
  • de kop indrukken (snel zorgen dat iets ophoudt)
  • iemand de laan uit sturen (iemand ontslaan)
  • het land aan iemand hebben (een hekel aan iemand hebben)
  • iemand voor het lapje houden (iemand voor de gek houden)
  • iemand de les lezen (iemand streng berispen)
  • de loef afsteken (iemand overtreffen, van iemand winnen)
  • het lid op de neus krijgen (niet krijgen wat je hoopte te krijgen)
  • de lijn trekken (luieren)
  • één lijn trekken (geen uitzonderingen maken)
  • met iets in zijn maag zitten (ergens verlegen mee zijn, niet weten wat je moet doen)
  • door de mand vallen (ontmaskerd worden als bedrieger)
  • iemand de mantel uitvegen (iemand streng berispen)
  • iemand de mond snoeren (iemand het spreken beletten, iemand niet de kans geven zijn mening te geven) 
  • achter het net vissen (iets mislopen)
  • ergens niets van bakken (falen)
  • iemand iets aan zijn neus hangen (iemands een (nep)nieuwtje vertellen)
  • iemand bij de neus nemen (iemand bedriegen)
  • met de noorderzon vertrekken (plotseling en stiekem vertrekken)
  • een oogje in het zeil houden (over iets of iemand waken)
  • iemand in het ootje nemen (iemand voor de gek houden)
  • iemand de oren wassen (iemand streng berispen)
  • iemand over het paard tillen (iemand té veel prijzen, zodat hij verwaand wordt)
  • ergens pal voor staan (onwrikbaar vasthouden aan)
  • de pest in hebben (een rothumeur hebben)
  • de pijp aan Maarten geven (het opgeven, doodgaan)
  • de pik op iemand hebben (een hekel aan iemand hebben)
  • de plaat poetsen (snel vertrekken)
  • de plank misslaan (ernaast zitten, een verkeerde aanname doen)
  • iemand een poets bakken (een grap uithalen met iemand)
  • iemand een riem onder het hart steken (iemand moed inspreken)
  • iemand iets in de schoenen schuiven (iemand de schuld geven)
  • uit zijn slof schieten (boos worden)
  • de spijker/nagel op zijn kop slaan (precies benoemen waar het om gaat, het juiste antwoord geven)
  • spitsroeden lopen (in het openbaar scherpe kritiek moeten doorstaan, een heel moeilijke taak moeten verrichten)
  • iets van tafel vegen (meteen afwijzen zonder erover te willen spreken)
  • iemand aan de tand voelen (iemand ondervragen)
  • iemand om de tuin leiden (iemand bedriegen)
  • de eerste viool spelen (de belangrijkste zijn, je duidelijk laten horen)
  • in de wacht slepen (iets behalen, je iets toe-eigenen)
  • in de wind slaan (niet opvolgen, bijvoorbeeld goede raad of een waarschuwing)