Wat is juist: We gaan eropuit of We gaan erop uit?
 

 

We gaan eropuit heeft onze voorkeur, maar voor We gaan erop uit is ook wel iets te zeggen.

De hoofdregel voor dit soort combinaties (er + voorzetsel(s) + werkwoordsvorm) luidt: schrijf voorzetsels die geen onderdeel vormen van het werkwoord, aan er vast. Raadpleeg een goed woordenboek om na te gaan of een voorzetsel deel uitmaakt van een (samengesteld) werkwoord. Let er daarbij wel op dat het samengestelde werkwoord de betekenis moet hebben die in de desbetreffende context bedoeld is.

Op in er( )op( )uit( )gaan hoort niet bij het werkwoord; opuitgaan bestaat niet. Op moet daarom in elk geval aan er worden gekoppeld. Uitgaan treffen we wel in de woordenboeken aan, maar niet (precies) in de hier bedoelde betekenis. Van Dale (2005) geeft bij uitgaan wel een omschrijving die dicht in de buurt komt: "zich op weg begeven, op pad gaan om het genoemde te doen, halen e.d." Deze betekenis is van toepassing in bijvoorbeeld 'We hebben nog geen cadeau, maar Thijs zei dat hij op een bos bloemen uitgaat.' Velen zullen er( )op( )uit( )gaan onder deze betekenis scharen, maar volgens ons ontbreekt hier het doelgerichte aspect van uitgaan: met er( )op( )uit( )gaan zeg je niet dat je doelbewust iets gaat halen of kopen. Bovendien zou dan een zin als 'Hij zou erop moeten uitgaan' mogelijk moeten zijn (vergelijk 'Hij zegt dat hij op een bos bloemen moet uitgaan'), maar zo'n zin klinkt niet goed. Daarom geven wij er de voorkeur aan om uit los van gaan te schrijven. Net als op moet uit dan aan er vast worden geschreven: eropuit gaan.