Wat is goed: ‘Ik heb het artikel geprint’ of ‘Ik heb het artikel uitgeprint’? 

Het is allebei goed. Alle recente woordenboeken en spellinglijsten vermelden printen én uitprinten.

Uitprinten voelt voor sommige mensen als een fout: als een verhaspeling (contaminatie) van printen en uitdraaien. Toch voegt uit- in uitprinten voor veel andere mensen echt iets toe.

Het komt in het algemeen vaak voor dat aan werkwoorden een voorzetsel wordt toegevoegd. Zo bestaan ook de werkwoordparen testen en uittesten, proberen en uitproberen en scannen en inscannen. Die neiging om een voorzetsel toe te voegen ontstaat door een behoefte aan ‘expressiviteit’ (meer zeggingskracht). Als je bijvoorbeeld een tekst inscant, leg je de nadruk op wat je doet: je legt het onder de scanner en slaat het als bestand op. En als je zegt dat je een rapport hebt uitgeprint, benadruk je dat het rapport als kant-en-klaar leesvoer klaarligt.

Uitprinten komt al zeker meer dan vijftig jaar in geschreven teksten voor. In een krant uit 1969 staat bijvoorbeeld: “De computer kan per zeven en een halve minuut alle gegevens van het hele gasnet opvragen, registreren en uitprinten.”

Overigens is uitprinten dan misschien ontstaan onder invloed van uitdraaien, maar dat werkwoord komt niet zo vaak meer voor. Naast (uit)printen lijkt afdrukken het gebruikelijkste werkwoord te zijn. In België is de variant afprinten ook in gebruik.

Andere werkwoorden die soms als contaminatie worden afgekeurd, maar waarin het voorzetsel toch wel iets toevoegt, zijn:

  • doorverwijzen
  • inoefenen
  • inregelen
  • inscannen
  • inschatten
  • inseinen
  • insluiten (van arrestanten)
  • invorderen
  • nachecken
  • oppimpen
  • opstarten
  • uitfilteren
  • uitonderhandelen
  • uitontwikkelen
  • uitproberen
  • uitrangeren
  • uitselecteren
  • uitsorteren
  • uittesten