In het openbaar vervoer en bij concerten e.d. kun je een staanplaats hebben. Moet dat geen staplaats zijn?

Staplaats en staanplaats staan allebei in de woordenboeken. In de praktijk is staanplaats veruit het gebruikelijkst, zeker in de betekenis ‘plaats waar een toeschouwer kan/moet staan’. Staplaats komt nog weleens voor in de betekenis ‘toegewezen plaats voor bijvoorbeeld een tent, caravan of kraam’, maar ook dan is staanplaats gewoner.

Staanplaats is een buitenbeentje onder de samenstellingen die met een werkwoord beginnen. Normaal vorm je dit soort samenstellingen met de stam van het werkwoord, zoals bij zitplaats en ligplaats, en bijvoorbeeld aanwijsplaatsparkeerplaats en loopfiets. Hierbij sluit staplaats aan. Die vorm is dan ook ouder dan staanplaats.

Als je een samenstelling of afleiding vormt met een werkwoorden van één lettergreep, zoals doen, zien en staan, gebruik je doorgaans niet de stam, maar het hele werkwoord. Vergelijk woorden als ziener, doener, verstaanbaar en (on)doenlijk met bijvoorbeeld werker, prater, hoorbaar en toegeeflijk

Samenstellingen als staanplaats/staplaats (met als eerste deel een werkwoord van één lettergreep) zijn trouwens zeldzaam. Meer voorbeelden zijn staangeld/stageld, staantribune/statribune en zienswijze. Bekende afleidingen zijn (on)begaanbaar en onverslaanbaar.