Wat is juist: zaterdags of ’s zaterdags?

Het gebruikelijkst is ’s zaterdags, met ’s ervoor, maar ook zaterdags is goed. De betekenis is ‘op zaterdag’ of ‘elke zaterdag’: het gaat meestal om een vaste gewoonte of een vast ritme, bijvoorbeeld ‘Ze voetbalt ’s zaterdags altijd.’ 

De meeste dagen van de week komen in de betekenis ‘elke week op die dag’ zowel met ’s als zonder ’s voor:

  • ’s maandags / maandags
  • ’s woensdags / woensdags
  • ’s zaterdags / zaterdags
  • ’s zondags / zondags

Dinsdags, donderdags en vrijdags worden vrijwel altijd zonder ’s aan het begin gebruikt. ’s Dinsdags, ’s donderdags en ’s vrijdags zijn niet fout, maar wel veel minder gebruikelijk. Dat komt doordat de combinatie van ’s en d of v aan het begin van een woord niet zo makkelijk uit te spreken is.

Enkele voorbeelden:

  • Sammie loopt woensdags en zondags hard.
  • Sammie loopt ’s woensdags en ’s zondags hard.
  • Vrijdags en zaterdags gaat dat winkeltje eerder dicht, en maandags is het gesloten.
  • ’s Vrijdags en ’s zaterdags gaat dat winkeltje eerder dicht, en ’s maandags is het gesloten.

Herkomst van ’s

De ’s is een verkorting van des, een oude tweede naamval van het lidwoord de. Oorspronkelijk kon van alle namen van de dagen van de week een zogenoemde tijdsbepalende genitief gemaakt worden: des zaterdags, des zondags, des maandags, des dinsdags, des woensdags, enz. Het gaat in feite om tijdstippen die een ritme vormen of een vast patroon: ‘elke zaterdag, zondag, maandag, etc.’ 

In de loop van de tijd is des verkort tot ’s, zoals dat ook gebeurde in onder meer ’s ochtends, ’s middags en ’s zomers. En bij de meeste dagen van de week werden uiteindelijk ook de vormen zonder ’s gangbaar. De s aan het einde bleef wel steeds behouden (zaterdags, zondags, etc.).