Wat zijn homoniemen?

Homoniemen zijn woorden die er hetzelfde uitzien en hetzelfde klinken, maar een verschillende betekenis hebben. Bijvoorbeeld bank (om op te zitten) en bank (als geldinstelling).

Daarnaast bestaan er homofonen: woorden die hetzelfde klinken, maar verschillend worden geschreven. Bijvoorbeeld hart en hard

Er zijn ook homografen: op schrift is geen verschil te zien, maar de uitspraak verschilt afhankelijk van de betekenis. Bijvoorbeeld negeren: in de uitspraak negéren betekent het ‘doen alsof iemand/iets niet bestaat’. Bij de uitspraak négeren hoort de betekenis ‘treiteren’.

Hieronder een aantal voorbeelden van de drie categorieën. Er zijn er heel veel te vinden in Battus’ Opperlandse taal- en letterkunde.

Homoniemen

  • arm: lichaamsdeel / niet rijk
  • bank: zitmeubel / geldinstelling
  • beer: roofdier / ondersteuning van een muur
  • bel: schel / blaasje, groot glas van een bepaalde drank
  • bestand: wapenstilstand / in staat te weerstaan
  • bevallen: behagen / een kind ter wereld brengen
  • beurs: overrijp, bont en blauw / geldbuidel, markt waar men handelt
  • bus: trommel, doos / autobus
  • cru: ruw, grof / wijnoogst
  • curie: bestuursorgaan / eenheid van radioactieve straling
  • deken: kleed / geestelijke
  • draagbaar: gedragen kunnende worden / brancard
  • gerecht: rechtbank / maaltijd
  • graven: spitten / adellijke personen
  • griep: meertandige mestvork / influenza
  • ijlen: spoeden / verward spreken (door hoge koorts)
  • kappen: door hakken omslaan / het haar opmaken
  • kater: dier / naweeën van een drinkgelag
  • kop: beker / hoofd
  • kies: maaltand / fijngevoelig, behoorlijk
  • kit: kolenemmer / kleefmiddel
  • klokken: het geluid ‘klok’ maken (bij drinken) / tijd registreren
  • klossen (lomp lopen / op een klos winden)
  • knots: dikke stok / stapelgek
  • kolder: leren harnas / dwaasheid
  • koper: iemand die koopt / metaal
  • kraal: bolletje (aan een ketting) / afgeperkte ruimte voor vee
  • kras: schram / krachtig, flink (ondanks ouderdom)
  • krijt: strijdperk / witte stof om mee te schrijven (op een schoolbord, op straat)\
  • kuur: geneeswijze / gril
  • kussen: hoofdkussen / zoenen
  • laken: verwijten / beddegoed
  • libel: schotschrift / insect
  • licht: schijnsel / niet zwaar
  • lik: gevangenis / kleine hoeveelheid
  • lokaal: plaatselijk / zaal, ruimte
  • maal: keer / maaltijd
  • manen: (nek)haren (van een paard) / aansporen
  • marine: zeemacht / donkerblauw
  • monster: gedrocht / proefstuk, staal
  • paaien: tevredenstellen / paren (van vissen)
  • pad: smal weggetje / amfibie
  • pap: brij / vader (aanspreekvorm)
  • patent: akte / uitstekend (er patent uitzien)
  • pitten: slapen / meervoud van pit
  • punt: spits / leesteken
  • raad: advies / college
  • rooien: klaarspelen / uit de grond halen
  • schaal: schotel / verhoudingsmaatstaf
  • schaken: het schaakspel spelen / een vrouw roven
  • schroef: bevestigingsmiddel / scheepsonderdeel
  • sirene: zangster / toestel dat een geluidssignaal geeft
  • slot: einde / burcht
  • stapel: hoop spullen / knettergek
  • stout: onverschrokken, ondeugend / Engels bier
  • straf: sterk / vergeldingsmaatregel
  • tieren: gedijen / lawaai maken
  • toeter: claxon / stomdronken
  • toets: proef / indrukbaar ‘blokje’
  • traan: druppel vocht uit de ogen / vette olie afkomstig van zeedieren
  • vorst: koning / vrieskou
  • weer: gesteldheid van de atmosfeer / opnieuw
  • zeven: ziften / telwoord
  • zij: zijde / persoonlijk voornaamwoord
  • zinken: van zink gemaakt / naar de diepte gaan
  • zweren: beloven / etteren

Homofonen

  • baadt / baat
  • bereiden / berijden
  • gelach / gelag
  • hard / hart
  • eis / ijs
  • jou / jouw
  • lach / lag
  • mail / meel
  • nauw / nou
  • paard / paart
  • peiler / pijler
  • pond / pont
  • reizen / rijzen
  • steil / stijl
  • wei / wij
  • weide / wijde
  • zei / zij

Homografen

  • band: (‘bant’:) strook stof / (‘bent’:) muziekgroep
  • bedelen: (‘buh-délen’:) begiftigen / (‘bé-duhlen’): om een aalmoes vragen
  • bekeren: (‘buh-kéren’:) van mening laten veranderen / (‘bé-kuhr-en’:) een bekerwedstrijd spelen
  • beving: (‘béving’:) trilling / (‘buh-víng’:) vervoeging van bevangen
  • gang: (‘gang’:) smalle doorloop / (‘gèng’:) bende
  • kartel: (‘kár-tuhl’:) inkeping / (‘kartèl’:) verbond
  • ondergaan: (‘ondergáán’:) iets lijdzaam ondergaan / (‘óndergaan’:) de zon zien ondergaan
  • overweg: (‘overwég’:) overweg kunnen met iemand / (‘óverweg’:) de spoorbomen van de overweg
  • peer: (‘peer’) vrucht / (‘peer’, op z’n Engels) lid van dezelfde groep
  • pool: (‘pool’:) uiteinde van de aardas / (‘poel’:) voetbalpool
  • regent: (‘re-gént’:) bestuurder / (‘ré-gent’:) het regent
  • verspringen: (‘verspríngen’:) (van plaats) veranderen / (‘vérspringen’:) atletiekonderdeel
  • voorkomen: (‘vóórkomen’:) bestaan; voor de rechter komen / (‘voorkómen’:) beletten