Waarom kun je wél zeggen 'Hij loopt te zingen' maar niet 'Hij fietst te zingen'? Fietsen en zingen gaan toch even goed samen als lopen en zingen?
 

 

Zeker, maar fietsen kan – in tegenstelling tot lopen – niet gebruikt worden als hulpwerkwoord. Het Nederlands kent maar een paar zelfstandige werkwoorden die wél die functie kunnen hebben. Voor de zinsconstructie waarop u doelt, zijn dat: zitten, liggen, lopen, staan en – in enkele gevallen – hangen. Gevolgd door te + een werkwoord geven ze aan wat het onderwerp doet tijdens de handeling die door het werkwoord na te wordt uitgedrukt. De taalkundige term voor deze hulpwerkwoorden is 'hulpwerkwoord van aspect'.

De letterlijke betekenis van deze vijf werkwoorden is op de achtergrond geraakt: als hulpwerkwoord betekenen ze eigenlijk niet veel meer dan 'bezig zijn met'. Een basisprincipe van ons taalsysteem is dat een zin maar één handeling tegelijk kan beschrijven. 'Hij loopt te zingen' bevat weliswaar twee werkwoorden die elk naar een handeling verwijzen (lopen en zingen), maar door de verzwakte betekenis van lopen doen we met deze zin toch vooral een uitspraak over het zingen; het lopen is bijzaak.

Het zelfstandige werkwoord fietsen kent zo'n verzwakte betekenis niet. Fietsen verwijst altijd naar fietsen. Dat is wat 'Hij fietst te zingen' (of: 'Hij doucht/danst, enz. te zingen') ongrammaticaal maakt. Daarmee zouden we immers binnen één zin verwijzen naar twee verschillende handelingen: die van het fietsen én die van het zingen. Dat zou in strijd zijn met het hierboven genoemde basisprincipe.

In werkelijkheid kunnen we natuurlijk heel goed op hetzelfde moment fietsen/douchen/dansen én zingen. Als we die gelijktijdigheid willen beschrijven in taal, staat ons alleen een samengestelde zin (= een zin bestaande uit twee of meer zinnen) ter beschikking zoals 'Hij zingt terwijl hij fietst' of 'Zingend fietst hij'.