Wat is juist: 'Mag ik de zout?' of 'Mag ik het zout?'?

De meeste mensen vinden alleen 'Mag ik het zout?' juist; zout is immers een onzijdig woord. Jan Renkema schrijft dan ook in zijn Schrijfwijzer (2012): "De bekende tafeldiscussie over suiker en zout kan gemakkelijk worden beslecht. Het is de suiker en het zout."

Toch geeft de Grote Van Dale (2015) de voorbeeldzin 'Mag ik de zout even?' met de aantekening dat de zout hier metonymisch wordt gebruikt. De zout betekent volgens Van Dale in feite iets als 'de zoutstrooier' ('de 'verzameling' zout hier op tafel').

Metonymisch taalgebruik komt vaak voor. Er zijn mensen die alle vormen van metonymisch taalgebruik afkeuren, maar dat is onterecht. Metonymie is een heel gewone stijlfiguur. Zo betekent 'Er zit nog zeep in je oren' niet dat er een stuk zeep uit steekt, maar dat er nog zeepschuim zichtbaar is. En 'We hoorden de trommels al uit de verte' betekent dat de trommelslagen vanuit de verte hoorbaar waren. Toch zal niemand deze zinnen fout noemen. De kans dat wie de zout gebruikt meteen zal worden verbeterd, is echter wél groot. Zo bezien is het aan te raden om 'Mag ik het zout?' te zeggen en te schrijven.

In de volgende zinnen is in elk geval alleen het zout juist:

  • Jij bent het zout der aarde.
  • Jij bent het zout in de pap.
  • Ik heb nog iets voor haar in het zout. (= 'ik heb nog een appeltje met haar te schillen')
  • Breng het water aan de kook, doe de groenten erbij en daarna pas het zout.