Wat is de juiste uitspraak van auto: ‘auto’ of ‘oto’?

Zowel de uitspraak ‘oto’ als de uitspraak ‘auto’ is goed. Alle hedendaagse woordenboeken vermelden beide uitspraakvarianten.

De oudste Nederlandstalige bron waarin auto op schrift voorkomt, dateert uit 1899. Aanvankelijk was de uitspraak ‘oto’ het gebruikelijkst. Het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands vermeldt dat veel termen uit de auto-industrie via het Frans in het Nederlands in gebruik kwamen. Wat ook kan hebben bijgedragen aan de verspreiding van de uitspraak ‘oto’, is dat alleen de elite zich een auto kon veroorloven. De voertaal binnen deze kringen was aan het einde van de negentiende eeuw deels nog Frans. De uitspraak ‘oto’ is volgens sommigen nog steeds iets wat tot de taal van de ouderwetse adel behoort, net als taartje en sofa in plaats van gebakje en bank.

In de loop van de twintigste eeuw is de uitspraak ‘auto’ steeds gebruikelijker geworden. Daarop zijn woorden als autobiografie en autocraat (die alleen met een au-klank worden uitgesproken) waarschijnlijk mede van invloed geweest. De uitspraak ‘auto’ lijkt inmiddels het gebruikelijkst, maar ‘oto’ is zeker nog niet verdwenen.

Autokineet en ipsomobiel

In 1947 vroeg men zich kennelijk ook al af hoe auto moest worden uitgesproken. De Onze Taal-redactie antwoordde in dat jaar op een vraag over de uitspraak van ‘auto’: “Sommigen bezigen de Franse uitspraak en zeggen ‘oto’; anderen daarentegen houden vast aan de (onderstelde) Griekse uitspraak [en zeggen dus auto]; bij minder populaire samenstellingen met ‘auto-’ (autobiographie, autochthoon en dgl.) is dat regel [dus: deze woorden hebben een ‘au’-klank]. (...) (Automobiel is een half Latijnse, half Griekse vorming. Wij moesten eigenlijk spreken van autokineet, op zijn Grieks, of ipsomobiel, de Latijnse vorm.)”

Dat laatste was ongetwijfeld een grapje. In autokineet is kineet een afleiding van het Griekse werkwoord kinein (‘bewegen’). In ipsomobiel betekent ipso (net als auto-) ‘zelf’. Mobiel is een afleiding van het Latijnse werkwoord movere (‘bewegen’).