Waar komt de uitroep ammehoela vandaan?

Ammehoela, ook wel gespeld als amehoela, ammenoela en aan me hoela, betekent iets als 'nooit van m'n leven', 'geen sprake van', 'bekijk 't maar', 'ik geef er niets om', 'ik luister niet naar je'. Je roept het uit als je iets niet gelooft of iets beslist niet wilt doen.

Dit tussenwerpsel gaat terug op een persoon: koning Amanoellah van Afghanistan (1892-1960). Deze koning wilde zijn land naar westers model hervormen. Aan het einde van de jaren twintig ontstonden er felle protesten tegen zijn hervormingen, bijvoorbeeld tegen het voorschrift dat iedereen in Kaboel westerse kleding moest dragen. De protesten leidden tot een opstand en in 1929 was hij gedwongen afstand te doen van de troon. Amanoellah leefde de rest van zijn leven in ballingschap en werd een veelbesproken societyfiguur in Europa.

Volgens Marc De Coster (Woordenboek van populaire uitdrukkingen, clichés, kreten en slogans, 2002) werd ammehoela al in de jaren twintig van de twintigste eeuw gebruikt door jongeren. De Coster vermeldt ook: "Naar verluidt zou Jasperina de Jong tijdens de voorstelling van Sweet Charity (1969), een musical van Cy Coleman, de uitdrukking bij het grote publiek bekend gemaakt hebben. De uitroep ammehoela ging daarbij gepaard met de traditionele klap op de bil, een subtiele verwijzing naar de gelijkaardige volkse uitdrukking aan me reet. Stoett geeft in zijn boek van Nederlandse spreekwoorden een lijst van grappige uitroepen afkomstig uit de volkstaal. Ammehoela vinden we er niet in terug, wel de kreet ja oele en talrijke synoniemen: aan (tegen) uw broek, een drol op je lippen; in jouw kakhuis; op je achterlap; op je (bolle) ogen, op je gat, op je kop (getimmerd), op je reet; tegen uwen neus (Antwerps). Ongetwijfeld bestaan er nog andere varianten."

In het Eponiemenwoordenboek (1993) van Ewoud Sanders staat dat de vroegere gewoonte om ammehoela uit te spreken terwijl je een klap op je eigen bil geeft, zou teruggaan op het feit dat koning Amanoellah door zijn volk was weggestuurd, en dus een figuurlijke schop onder zijn achterste had gekregen. Sanders citeert uit een revue, omstreeks 1928 opgevoerd, waarin de volgende dialoog te horen zou zijn geweest: "'Ik ben de koning.' 'Ha, ha, jij koning? Aan me hoela!' 'Ja, ik ben koning Amanoellah!'"