Print deze pagina

Homoniem

Wat zijn homoniemen?

Homoniemen zijn woorden die er hetzelfde uitzien, maar een verschillende betekenis hebben. Bijvoorbeeld bank (om op te zitten) en bank (als geldinstelling).

Overigens ligt niet helemaal vast welke woorden onder het begrip homoniem geschaard moeten worden. Van Dale (2005) schaart er ook woorden onder die hetzelfde klinken, zoals hart en hard. Anderen noemen dit echter homofonen: de vormgelijkheid bestaat alleen in de uitspraak (voor het gehoor); de woorden worden verschillend gespeld.

Er bestaan ook homografen: op schrift is geen verschil te zien, maar de uitspraak verschilt afhankelijk van de betekenis. Bijvoorbeeld negeren: in de uitspraak negéren betekent het 'doen alsof iemand/iets niet bestaat'; bij de uitspraak négeren hoort de betekenis 'koeioneren'.

Hieronder een aantal voorbeelden van de drie categorieën. Er zijn er heel veel te vinden in Battus' Opperlandse taal- en letterkunde.

Homoniemen

  • arm: lichaamsdeel / niet rijk
  • bank: zitmeubel / geldinstelling
  • deken: kleed / geestelijke
  • draagbaar: gedragen kunnende worden / brancard
  • gerecht: rechtbank / maaltijd
  • graven: spitten / adellijke personen
  • griep: meertandige mestvork / influenza
  • kater: dier / naweeën van een drinkgelag
  • kop: beker / hoofd
  • koper: iemand die koopt / metaal
  • kussen: hoofdkussen / zoenen
  • laken: verwijten / doek op een bed
  • licht: schijnsel / niet zwaar
  • maal: keer / maaltijd
  • monster: specimen / eng beest
  • pitten: slapen / meervoud van pit
  • punt: spits / leesteken
  • raad: advies / college
  • schroef: bevestigingsmiddel / scheepsonderdeel
  • sirene: zangster / toestel dat een geluidssignaal geeft
  • slot: einde / burcht
  • toeter: claxon / stomdronken
  • toets: proef / indrukbaar 'blokje'
  • traan: druppel vocht uit de ogen / vette olie afkomstig van zeedieren
  • vorst: koning / vrieskou
  • weer: gesteldheid van de atmosfeer / opnieuw
  • zij: zijde / persoonlijk voornaamwoord

Homofonen

  • baadt / baat
  • bereiden / berijden
  • gelach / gelag
  • hard / hart
  • eis / ijs
  • jou / jouw
  • lach / lag
  • mail / meel
  • nauw / nou
  • paard / paart
  • peiler / pijler
  • pond / pont
  • reizen / rijzen
  • steil / stijl
  • wei / wij
  • weide / wijde
  • zei / zij

Homografen

  • band: ('bant':) strook stof / ('bent':) muziekgroep
  • beving: ('béving':) trilling / ('buh-víng':) vervoeging van bevangen
  • ondergaan: ('ondergáán':) iets lijdzaam ondergaan / ('óndergaan':) de zon zien ondergaan
  • overweg: ('overwég':) overweg kunnen met iemand / ('óverweg':) de spoorbomen van de overweg
  • pool: ('pool':) uiteinde van de aardas / ('poel':) voetbalpool
  • regent: ('re-gént':) bestuurder / ('ré-gent':) het regent
  • verspringen: ('verspríngen':) (van plaats) veranderen / ('vérspringen':) atletiekonderdeel
  • voorkomen: ('vóórkomen':) bestaan; voor de rechter komen / ('voorkómen':) beletten

Verwante adviezen

Trefwoorden

terug
voorjaarsbanner

banner ITV

taalkalender