Page 30 - OnzeTaal_sept2021
P. 30

ETYMOLOGIE









            De vier seizoenen




                   et was schrikken toen het VN-klimaatpanel                                                  Illustratie: Frank Dam
                   IPCC de voorbije maand de recentste inzichten
            H presenteerde: de klimaatveranderingen gaan
            sneller dan gedacht. Een van de voorspellingen is dat de
            seizoenen zullen veranderen: de lente, herfst en winter
            worden steeds korter en de zomer langer. Sinds wanneer
            delen we het jaar eigenlijk in in vier seizoenen? En waar
            komen de benamingen voor die seizoenen vandaan?

            ZOMER EN WINTER
            Oorspronkelijk rekende men met twee seizoenen: de
            zomer en de winter. Voor die begrippen kende het Indo-
            Europees, de moedertaal van de meeste talen die in    ierse find (‘wit’); dan zou de naam eigenlijk ‘witte tijd’
            Europa worden gesproken, aparte woorden. Sommige   betekenen en verwijzen naar sneeuw – die echter maar
            Indo-Europese talen hebben ook een gemeenschappelijk   sporadisch voorkomt.
            woord voor ‘lente’, maar dat geldt niet voor ‘herfst’.
            Uit het ontbreken van een woord voor ‘herfst’ hebben   LENTE EN HERFST
            taalkundigen wel de conclusie getrokken dat de Indo-   De Germaanse talen hebben dus één gemeenschappelijk
            Europeanen oorspronkelijk in een zuidelijk gebied   woord voor ‘zomer’ en voor ‘winter’, maar voor ‘lente’
            woonden, waar de zomer snel overgaat in de winter.   en ‘herfst’ hebben ze verschillende woorden (zie het
               Het Nederlandse woord zomer gaat terug op een    kader). Dat geldt ook voor het Nederlands; we kennen
            Indo-Europese wortel die ‘halfjaar, seizoen’ betekende;   zowel lente als voorjaar, en zowel herfst als najaar.
            het eerste gedeelte is verwant met het Latijnse woord      Het woord lente is een samenstelling: het eerste deel
            semi- (‘half’), dat we in allerlei leenwoorden kennen,    is verwant met lengen en lang, het tweede deel gaat terug
            zoals semi-finale.                               op een Germaanse wortel tina- (‘dag’), die verwant is
               Het Nederlandse woord winter is daarentegen geen   met het Russische den (‘dag’). De lente is dus het jaar-
            voortzetting van de Indo-Europese wortel die ‘winter’   getijde van de lengende dagen. Herfst werd vroeger ook
            betekende. Die wortel is wel bewaard gebleven in het    wel gespeld als hervest, waaruit de herkomst duidelijker
            Latijnse hiems (‘winter’), dat we kennen via het leen-  wordt: het woord is verwant met het Engelse harvest
            woord hiberneren (‘overwinteren’). Maar in de Ger-  (‘oogst’). Herfst betekende oorspronkelijk ‘de oogsttijd’,
            maanse talen wordt voor dit seizoen een nieuw woord   eigenlijk ‘de tijd waarin men plukt’, want het woord is
            gebruikt, namelijk winter. Van winter weten we niet    verwant met het Latijnse carpere (‘plukken’). Ook het
            helemaal zeker waar het van is afgeleid; er zijn twee    woord seizoen heeft trouwens een agrarische achter-
            mogelijkheden, die geen van beide overtuigend zijn.    grond; in het Frans (saison) gaat het terug op het Latijn-
            De eerste is dat het komt van de wortel van water en het   se satio (‘het zaaien’).
            Engelse wed (‘nat’): de winter zou dan het natte seizoen      Voorjaar en najaar betekenen eigenlijk het begin en
            zijn. Maar onduidelijk blijft dan waar de n-klank van-  het einde van het jaar – waarbij men moet bedenken
            daan komt. De tweede is dat het verwant is aan het Oud-  dat het jaar vroeger niet altijd begon op 1 januari, maar
                                                             ook wel op 1 maart. De woorden komen pas sinds de
                                                             vijftiende eeuw voor, terwijl herfst en lente al in de elfde
              ‘Lente’ en ‘herfst’ over de grens              eeuw zijn genoteerd. Voor ‘lente’ gebruikte men in de
                                                             Middeleeuwen ook voorsomer en sprinctijt (‘springtijd’) –
              Voor ‘lente’ hebben de Duitsers het woord Frühling,   ver gelijkbaar met het Engelse spring – en de prachtige
              letterlijk ‘vroegeling’; het door de dichter Rilke gebe-  oude aanduiding den oversoeten tijt.
              zigde woord Lenz, ook bekend van de klassieke schlager
              ‘Veronika, der Lenz ist da’, is inmiddels verouderd. De   PLUSPUNT
              Engelsen hebben spring, eigenlijk ‘tijd waarin de natuur   Nu de klimaatverandering doorzet, gaan we dus weer
              openspringt’, en de Friezen maitijd (‘meitijd’). In het   terug naar twee of drie seizoenen: in Nederland zullen
              Engels bestaat nog steeds Lent, maar dat staat voor de
                                                             dan benamingen volstaan voor ‘zomer’ en ‘herfst’, met
      ONZE TAAL  2021   — 9    sommige Duitse dialecten wordt ook wel Spätjahr of   twee weken aanhoudt. Betekent dat het einde van ‘een
              vastentijd, van Aswoensdag tot Pasen.
                                                             in sommige jaren, zoals in 2021, een winter die één of
                Het Duitse woord Herbst is verwant met herfst. In
                                                             nieuwe lente en een nieuw geluid’? Hopelijk niet, want
              Spätling gebruikt, een afleiding van spät (‘laat’) en dus
                                                             de wisseling van seizoenen en de weerslag daarvan in de
              een mooie tegenhanger van Frühling. De Brits-Engelse
                                                             natuur is een belangrijk pluspunt van de Lage Landen:
                                                             mensen die geëmigreerd zijn naar een land waar het
              benaming autumn gaat terug op het Latijnse autumnus
              (‘herfst, oogst’). In het Amerikaans-Engels is de nor-
              male benaming fall, verwijzend naar het vallen van de
                                                             enorme saaiheid en voorspelbaarheid van het weer.
              bladeren in dit jaargetijde, en dat vormt weer een   altijd mooi weer is, beklagen zich na een tijdje over de
              mooie tegenhanger van spring.
   30                                                        HANS BEELEN EN NICOLINE VAN DER SIJS
   25   26   27   28   29   30   31   32   33   34   35