Page 24 - OnzeTaal_juni2020_HR
P. 24
ETYMOLOGIE
Dinosauriërs illustratie: Frank Dam
n het bijbelboek Genesis wordt beschreven hoe God
grote zeemonsters schiep. Hoe zagen die eruit? Vol-
I gens de Amsterdamse dominee-dichter J.J.L. ten
Kate (1819-1889) zó: “Geeft het monster een naam! Wat
zal ’t zijn? / ’t Is, verward door elkander gewassen, Kro-
kodil, Salamander, Dolfijn! (...) / ’t Paart de klaauwige
Walvisschenpoten / Aan het borstbeen van ’t Snavel-
gediert’.” Ten Kate trok in 1866 volle zalen met zulke
huiveringwekkende beschrijvingen, afkomstig uit zijn eerder, in 1834, had Adam Sedgwick, een leermeester
leerdicht De schepping. Daarin wilde hij de bijbelse open- van Charles Darwin, de periodeaanduiding Cambrium
baring in overeenstemming brengen met nieuwe inzich- bedacht (naar Cambria, het Latijnse woord voor Wales,
ten van de geologie en de paleontologie. dat in het Welsh Cymru wordt genoemd): 540-500 mil-
In zijn aantekeningen bij het gedicht vermeldt Ten joen jaar geleden.
Kate de wetenschappelijk-Griekse naam van het prehis- De Zwitserse geoloog Louis Agassiz onderzocht glet-
torische monsterdier: “De ichthyosaurus of vischhage- sjers en zwerfstenen en concludeerde dat grote delen
dis, draagt zijn naam met het volste recht, want op de van Europa miljoenen jaren geleden met ijs bedekt wa-
zonderlingste wijze zijn hier sommige kenmerken, die ren. Zijn Duitse collega Karl Schimper, met wie Agassiz
men gewoonlijk alleen bij visschen aantreft, vereenigd veel samenwerkte, schreef in 1837 het humoristisch-
met andere, die aan kruipende dieren eigen zijn.” Een hoogdravende gedicht ‘Ode an die Eiszeit’, dat Agassiz
vrijwel compleet skelet was in 1811 aan de kust van bij een van zijn lezingen aan het publiek uitdeelde. Het
is de oudste vindplaats van het woord Eiszeit, dat in 1840
Oerreptielen kregen op het Grieks in het Engels werd overgenomen als Ice Age, en iets later
in het Nederlands als IJstijd.
geënte namen – dinosauriër komt MEGALOSAURUS
van deinos (‘vreselijk’). De grote oerreptielen die de aarde deden beven met hun
als fossiele afdrukken bewaarde voetstappen, kregen
op het Grieks geënte namen. De dinosauriërs (van het
Griekse deinos, ‘vreselijk’) hebben hun naam te danken
Dorset blootgelegd door de twaalfjarige fossielenverza- aan de Britse paleontoloog Richard Owen, die in 1842
melaarster Mary Anning. Deze ontdekking was door de Dinosauria introduceerde als verzamelnaam voor twee
bloeiende populairwetenschappelijke literatuur van die eerder ontdekte soorten: de vleesetende megalosaurus
tijd alom bekend geworden. (in 1824 zo genoemd door ontdekker Buckland, van het
Griekse megalos, ‘groot’) en de iguanodon (1825), een
IJSTIJD planteneter met enorme tanden (odōn betekent ‘tand’),
Rond 1800 geloofden veel mensen nog dat de aarde genoemd naar zijn gelijkenis met de leguaan (in het
slechts zesduizend jaar oud was en dat fossielen de res- Spaans: iguana).
ten waren van dieren die tijdens de zondvloed waren Op Oudejaarsdag 1853 werd door een gezelschap van
verdronken. In 1778 had de Franse natuurfilosoof Buffon eenentwintig beroemdheden onder voorzitterschap
weliswaar betoogd dat de aarde wel zo’n drie miljoen van Owen genoeglijk gedineerd in een gereconstrueerd
jaar oud moest zijn en dat hij door duizeligheid bevan- skelet van een iguanodon, opgebouwd in het Londense
gen werd bij het turen in deze “duistere afgrond van de Crystal Palace. De ontdekker ervan, Gideon Mantell, was
tijd”, maar pas in de negentiende eeuw zouden met het jaar ervoor overleden. In 1829 had een collega voor-
ONZE TAAL 2020 — 6 De namen voor geologische tijdperken hebben dan ook noemt dit voorwereldlijke reptiel in de aantekeningen
name Britse geologen aardlagen gaan afgraven en zo de
speld dat Mantell op de rug van een iguanodon de tem-
ouderdom van de aarde berekenen in miljarden jaren.
pel der onsterfelijkheid zou binnenrijden. Ten Kate
bij De schepping “bij gedrochtelijker vorm, toch zachter
vaak een Britse herkomst.
van zeden dan zijn vleeschverslindende makker” – de
Zo muntte de Schotse geoloog Roderick Impey
Murchison de termen Devoon (1839, naar het graafschap
heidense hemelvaart van de ontdekker liet de brave
Devon, waar oude gesteenten werden gevonden), Siluur
(1839, de naam van een Keltische stam in Wales waar dit
gesteente voorkwam) en Perm (1849, naar de Russische dominee toch maar liever achterwege.
stad Perm, van waaruit hij een expeditie ondernam). Iets HANS BEELEN EN NICOLINE VAN DER SIJS
24

