Het Nederlands kent maar een paar zelfstandige werkwoorden die óók de functie van hulpwerkwoord kunnen hebben, bijvoorbeeld zitten, liggen, lopen, staan en – in enkele gevallen – hangen. Gevolgd door te + een werkwoord geven ze aan wat het onderwerp doet tijdens de handeling die door het werkwoord na te wordt uitgedrukt. De taalkundige term voor deze hulpwerkwoorden is ‘hulpwerkwoord van aspect’.

De letterlijke betekenis van deze vijf werkwoorden is op de achtergrond geraakt: als hulpwerkwoord betekenen ze eigenlijk niet veel meer dan ‘bezig zijn met’. Een basisprincipe van ons taalsysteem is dat een zin maar één handeling tegelijk kan beschrijven. ‘Hij loopt te zingen’ bevat weliswaar twee werkwoorden die elk naar een handeling verwijzen (lopen en zingen), maar door de verzwakte betekenis van lopen doen we met deze zin toch vooral een uitspraak over het zingen; het lopen is bijzaak.

Het zelfstandige werkwoord fietsen kent zo’n verzwakte betekenis niet. Fietsen verwijst altijd naar fietsen. Dat is wat ‘Hij fietst te zingen’ (of: ‘Hij doucht/danst, enz. te zingen’) ongrammaticaal maakt. Daarmee zouden we immers binnen één zin verwijzen naar twee verschillende handelingen: die van het fietsen én die van het zingen. Dat zou in strijd zijn met het hierboven genoemde basisprincipe.

In werkelijkheid kunnen we natuurlijk heel goed op hetzelfde moment fietsen/douchen/dansen én zingen. Als we die gelijktijdigheid willen beschrijven in taal, staat ons alleen een samengestelde zin (= een zin bestaande uit twee of meer zinnen) ter beschikking zoals ‘Hij zingt terwijl hij fietst’ of ‘Zingend fietst hij’.

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar. Neem contact op via

Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur Bel 085 00 28 428 van 9.30 tot 12.00 uur (op donderdag tot 11.00 uur) en van 13.30 tot 16.00 uur

(gebruikelijke belkosten, geen extra kosten)

Of stel je vraag via social media of per mail