Kun je zeggen ‘Hij fietst te zingen’ als iemand al zingend rondfietst, net zoals je kunt zeggen ‘Hij loopt te zingen’?
‘Hij fietst te zingen’ is geen goede zin. Je kunt fietsen niet gebruiken als een hulpwerkwoord. Dat kan wél met bijvoorbeeld lopen in ‘Hij loopt te zingen.’
Fietsen en lopen zijn zogenoemde zelfstandige werkwoorden. In bijvoorbeeld ‘Ze fietsen elke dag minstens een uur’ en ‘Ik loop altijd naar het station’ zijn ze ook zo gebruikt. Maar je kunt lopen ook gebruiken in de functie van hulpwerkwoord. Er zijn nog een paar andere werkwoorden waarbij dat ook kan: zitten, liggen, staan en – in enkele gevallen – hangen. Bijvoorbeeld:
- We zaten gezellig te kaarten.
- Wat lig je nu te zeuren?
- Wat loop je nou te stressen?
- We stonden geduldig te wachten.
- De schone was hangt alweer te wapperen!
Na de hulpwerkwoorden zitten, liggen, lopen, staan en hangen komt telkens te + een ander werkwoord. De hulpwerkwoorden geven oorspronkelijk aan wat het onderwerp doet tijdens de handeling die het werkwoord na te uitdrukt. De letterlijke betekenis van deze vijf werkwoorden is echter op de achtergrond geraakt: als hulpwerkwoord betekenen ze eigenlijk niet veel meer dan ‘bezig zijn met’. Het zijn hulpwerkwoorden van aspect geworden.
Eén handeling per zin
Een basisprincipe van ons taalsysteem is dat een zin één handeling tegelijk beschrijft. Omdat in ‘Hij loopt/zit/staat/ligt te zingen’ de betekenis van lopen, zitten, staan en liggen verzwakt is, kun je ze ook als hulpwerkwoord bij te zingen gebruiken. Je doet dus vooral een uitspraak over het zingen.
Het zelfstandige werkwoord fietsen heeft echter geen verzwakte betekenis. Fietsen verwijst altijd naar de handeling van het fietsen. Dat is wat ‘Hij fietst te zingen’ (of bijvoorbeeld ‘Hij doucht te zingen’ en ‘Hij rijdt te zingen’) ongrammaticaal maakt. Daarmee zou je binnen één zin verwijzen naar twee verschillende handelingen: die van het fietsen én die van het zingen. En dat botst met het hierboven beschreven basisprincipe.
Natuurlijk is het heel goed mogelijk op hetzelfde moment te fietsen, douchen of rijden én te zingen. Als je dat wilt beschrijven, kun je de zin bijvoorveeld zo formuleren:
- Hij zingt terwijl hij fietst. (terwijl hij fietst is een bijzin)
- Zingend reed hij de straat uit (zingend is een bepaling van gesteldheid)
- Hij zingt onder het douchen (onder het douchen is een bijwoordelijke bepaling)
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!
Waarom gebruik je te in Hij loopt te zingen?
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!