Allooi betekent ‘waarde’, ‘soort, hoedanigheid’, ‘peil’ en ‘gehalte’. Dat zijn neutrale betekenissen, die je in principe zowel in positieve als in negatieve zin kunt gebruiken. Toch kom je allooi vrijwel alleen tegen in negatieve contexten. Bijvoorbeeld:

  • In de nachtclub zat een gezelschap van verdacht allooi.
  • De humor van mijn oudoom is in mijn ogen van een twijfelachtig allooi.
  • Volgens haar vind je in casino’s vooral mensen van een bedenkelijk allooi.
  • Vroeger woonden hier mensen van laag allooi, maar nu is het een gewilde buurt.

Een heel enkele keer kom je allooi tegen in een positieve context:

  • Onze buren zijn mensen van fatsoenlijk allooi.
  • Aan deze prachtige laan staan alleen villa’s van een zeker allooi.

Herkomst van allooi

Het Nederlands heeft allooi in de veertiende eeuw geleend uit het Oudfrans. Het Oudfranse aloi betekende ‘metaalsamenstelling’. Het is een afleiding van het werkwoord aloier (in Nieuwfrans allier), dat ‘verbinden, vermengen’ betekende. Van dit werkwoord is ook het Franse alliance (‘verbond’) afgeleid, dat in het Nederlands terechtgekomen is als alliantie.

In het Nederlands van de Middeleeuwen werd allooi vooral gebruikt voor metalen munten: hoe hoger het gehalte aan zuiver metaal, hoe beter het allooi van een munt. Al aan het begin van de zeventiende eeuw werd allooi in figuurlijke zin gebruikt voor het ‘gehalte’ aan goede eigenschappen bij een persoon.

Blij met deze uitleg?

Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!

Toch nog een vraag?

Onze taaladviseurs staan elke werkdag voor je klaar.

Stel hier je vraag