Wit en blank zijn allebei veelgebruikte termen. Beide hebben ook een lange geschiedenis in het Nederlands. Klik op het tabblad ‘Achtergrond’ als je daar meer over wilt lezen.

Als het om huidskleur gaat, hebben wit en blank dezelfde betekenis. Met witte/blanke mensen wordt bedoeld ‘mensen met een lichte huidskleur’ of ‘mensen die van oorsprong een Europese achtergrond hebben’.

De gevoelswaarde van die woorden wit en blank is verschillend. Ze zijn daarom niet zomaar inwisselbaar.

Groeiende voorkeur voor wit

Sinds de jaren 2010 groeit in de media het gebruik van wit in plaats van blank. Mensen en organisaties die kiezen voor wit, doen dat omdat ze het woord blank ‘besmet’ vinden. Blank wordt door hen verbonden met Europees kolonialisme en het gedachtegoed dat blanke mensen de norm zijn, of zelfs superieur zijn aan mensen met andere huidskleuren. Dat heeft deels te maken met andere betekenissen van blank, dat ook ‘zonder kleur’ kan betekenen, en ‘zuiver’ of ‘rein’.

Daardoor maakte de term wit snel opgang. Voorstanders van wit vinden die term neutraler. Enkele voorbeelden:

  • Jezus Christus wordt vaak afgebeeld als witte man.
  • Geneeskundig onderzoek is door de jaren heen voornamelijk gebaseerd op witte, mannelijke proefpersonen.
  • Het slachtoffer beschreef de dader als een witte man van ongeveer veertig jaar, die zo’n 1,90 meter lang is.

Huidkleur benoemen zonder etniciteit

Wit en blank zijn niet alleen verwijzingen naar iemands uiterlijk, maar ook naar iemands etnische en culturele identiteit. Een Noord-Afrikaanse persoon met een lichte huidskleur bijvoorbeeld wordt meestal niet als wit omschreven.

Als je de precieze tint van iemands huid wilt benoemen, zonder dat de culturele of etnische identiteit een rol speelt, dan kun je omschrijvingen als lichte huidskleur of bleke huid gebruiken.

  • Het slachtoffer beschreef de dader als een man met een lichte huidskleur, van ongeveer veertig jaar, die zo’n 1,90 meter lang is.
  • Als je van nature een bleke huid hebt, moet je een heel goede zonnebrandcrème gebruiken.

Blij met deze uitleg?

Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!

Geschiedenis van de termen wit en blank

De discussie over wit en blank is typisch voor het Nederlands, aangezien andere talen geen twee synoniemen kennen om witte mensen te beschrijven. In het Engels is het allebei white, in het Duits weiß en in het Frans blanc.

Wit en blank in de middeleeuwen

De woorden blank en wit zijn beide al in geschriften uit de dertiende eeuw aangetroffen. De voorlopers hiervan kwamen al voor in het Protogermaans, de vooroudertaal van het Nederlands, die rond het begin van de jaartelling werd gesproken. Blanka betekende destijds vermoedelijk iets als ‘schitterend’, en hwitta was ‘wit’.

Wit en blank hadden eeuwenlang allebei vaak betrekking op iemands huidskleur. Denk bijvoorbeeld aan de beschrijving van Sneeuwwitje: ‘lippen zo rood als bloed en een huid zo wit als sneeuw’. In een gedicht uit 1650 wordt de hals van een vrouw ‘blanker dan de hals van een witte zwaan’ genoemd. Een witte of blanke huid gold in delen van Europa lange tijd als een soort schoonheidsideaal; ook in die context werden wit en blank door elkaar gebruikt.

Wit én blank voor etniciteit

In geschriften uit de zeventiende eeuw komen wit en blank allebei voor in de betekenis ‘van nature een witte/blanke huidskleur hebbend’. In een verslag van de Verenigde Oost-Indische Compagnie uit 1646 wordt de bemanning van een schip als volgt omschreven: “180 witte gemonsterde Soldaten” en “swarte ende witte bootsghesellen”. In een ander citaat uit 1646 wordt melding gemaakt van zwarte kinderen die volgens de auteur ‘bijna blank’ leken, zó licht was hun huid.

Twintigste eeuw: blank wordt gebruikelijker voor etniciteit

Uit de verschillende drukken van Van Dale (1864-2015) blijkt dat blank (als het om de huid gaat) in de twintigste eeuw ingeburgerd raakte om mensen met een min of meer roze-witte huid aan te duiden. Dit diende ter onderscheiding van mensen met een min of meer zwarte (donkere) huid. Wit kreeg, als het om de huid ging, de betekenis ‘bleek’, zoals in wit om de neus worden.

Tegenwoordig: ook wit voor etniciteit

In de dertiende druk (1999) nam Van Dale wit ook op als synoniem van ‘blank’, met daarbij het voorbeeld witte scholen: ‘scholen met overwegend blanke (autochtone) leerlingen’. Tegenover deze witte scholen staan zwarte scholen: ‘scholen met overwegend zwarte (allochtone) leerlingen’.

In de recentste druk (2022, en ook online) staat bij wit én blank: “met een van nature bleke, pigmentarme huid, etnografisch behorend tot de (afstammelingen van) Europese volkeren”.