Wat is goed: een weids uitzicht of een wijds uitzicht?
Een weids uitzicht is goed. Weids betekent hier ‘groots, indrukwekkend, ruim’.
Weids is een formeel woord dat je vaak in dictees tegenkomt. Het komt eigenlijk alleen nog maar voor in vaste verbindingen zoals: een weids uitzicht/vergezicht/landschap, weidse vlakten, de weidse oceaan of weidse pracht en praal.
Wijds komt alleen maar voor in zinnen als ‘Ik draag graag iets wijds als het warm is.’ Dan plak je een s aan wijd vast. Wijd betekent hier ‘ruim, los’.
Weids
Weids betekent van oorsprong ‘luisterrijk, indrukwekkend’ en daar kwam later ook de betekenis ‘groots, ruim’ uit voort.
- In de polder vind je uitgestrekte weilanden, doorsneden door sloten, in een vlak, weids landschap.
- Dirigenten maken vaak weidse gebaren.
- De weidse vlakten van de wadden zijn altijd schitterend.
- Vanaf het terras genoten we van het weidse uitzicht over het dal.
Wijds
Wijd heeft de betekenissen ‘ruim’, ‘los, met veel open ruimtes’, ‘groot of breed (als het gaat om een oppervlak)’. Bijvoorbeeld:
- Deze trui heeft erg wijde mouwen.
- Toen ik zwanger was, droeg ik het liefst iets wijds.
- Mijn deur staat altijd wijd open voor jou.
- Oude zeelieden blijven verlangen naar de wijde zee.
- Vanaf het balkon hadden we een wijd uitzicht over het dal.
- In sprookjes trekken jonge mensen vaak de wijde wereld in.
- Ze staan wijd en zijd bekend als mensen met een hart van goud.
Op het tabblad ‘Achtergrond’ lees je meer over de betekenisontwikkeling van wijd(s) en weids.
Blij met deze uitleg?
Met een donatie van € 5 steun je Onze Taal. Bedankt!
Herkomst van wijd
Wijd is ontstaan uit een oeroud woord dat iets als ‘uiteengegaan’ of misschien ‘weg(gegaan)’ moet hebben betekend. Het komt volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands al voor in een document uit ongeveer 1100: “Thin namo is wido gebreydet” (‘jouw naam is wijdverbreid’). Wijd heeft de betekenissen ‘ruim’, ‘los, met veel open ruimtes’, ‘groot of breed (als het gaat om een oppervlak)’.
Herkomst van weids
Weids heeft oorspronkelijk niets met wijd te maken. Het is afgeleid van het Oudhoogduitse wei(de) (‘jacht, vangst’) en betekende ‘tot de jacht behorend’. Daaruit ontstond de betekenis ‘luisterrijk, indrukwekkend’ en daar kwam weer de betekenis ‘breed, ruim, groots, indrukwekkend’ uit voort. Op deze betekenisontwikkeling is wijd wel van invloed geweest, maar het spellingverschil tussen weids en wijd is altijd blijven bestaan.