Volgens mij betekent vaat 'afwas' en vat onder andere 'bloedvat'. Hoe komt het dan dat we spreken van een vaatchirurg en niet van een vatchirurg?

 

Vaat in de betekenis 'bloedvat' komt niet los voor. Maar als eerste lid van samenstellingen kan het wél deze betekenis hebben (bijvoorbeeld in vaataandoening, vaatchirurg, vaatverwijding, vaatwand en hart- en vaatziekten). Het Woordenboek der Nederlandsche Taal noemt vaat- “de stamvorm [= de vorm zonder voor- of achtervoegsels] van het meervoud vaten”. Een vaatchirurg houdt zich dus wel degelijk bezig met (bloed)vaten.

Een vraag die overblijft is: moeten we vaat-, omdat het de stamvorm is van het meervoud vaten, hier ook opvatten als een meervoud? Wij denken van niet. Vaat- heeft zijn lange klinker waarschijnlijk wel aan het meervoud ontleend; hetzelfde is immers het geval in bijvoorbeeld scheepsdek, terwijl het bij deze samenstelling niet om meerdere schepen gaat. Wij vatten vaat- daarom ook op als een (bijzonder) enkelvoud.